Conclusie
Hij is met ingang van 1 oktober 1992 als zodanig uitgetreden.
Verloop procedure
Bespreking van het middel
Conclusie
Parket bij de Hoge Raad
Eiser trad in juni 1992 aan als enige directeur van een besloten vennootschap en trad in oktober 1992 af. Tijdens zijn bestuur werden frauduleuze aangiften omzetbelasting ingediend, waardoor de vennootschap aanzienlijke belastingrestituties ontving die direct werden doorgestuurd naar een andere vennootschap. De Belastingdienst stelde eiser aansprakelijk voor de belastingschuld van de vennootschap op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur en het niet voldoen aan de verschuldigde omzetbelasting.
De rechtbank oordeelde dat eiser zich schuldig had gemaakt aan kennelijk onbehoorlijk bestuur en dat er causaal verband bestond tussen zijn handelen en de belastingschuld. Het hof bekrachtigde dit oordeel en wees de zaak terug voor verdere vaststelling van de hoogte van de schuld. Eiser stelde cassatieberoep in tegen het oordeel over het causaal verband en de behandeling van een bewijsaanbod.
De Hoge Raad verwierp de klachten van eiser over het causaliteitscriterium en de bewijsvoering. Het hof had terecht geoordeeld dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg was van het onbehoorlijk bestuur van eiser, ook al had eiser niet van alle details kennis. Het bewijsaanbod van eiser werd terecht afgewezen omdat het hof zijn oordeel baseerde op vaststaande feiten. Hiermee bevestigde de Hoge Raad de aansprakelijkheid van eiser voor de belastingschuld van de vennootschap.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de aansprakelijkheid van eiser voor de belastingschuld van de vennootschap wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur.