ECLI:NL:HR:2000:AA4641

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 februari 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
35129
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van Amersfoort
  • Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 70 lid 1 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging hofuitspraak over waardeverandering landbouwgrond en verwijzing voor herbeoordeling

Belanghebbende exploiteerde een landbouwbedrijf met een perceel grond dat op de peildatum een agrarische bestemming had. De Inspecteur stelde het voordeel uit waardeverandering van deze grond op nihil, wat door het hof werd bevestigd. Belanghebbende stelde dat het hof een onjuiste beoordelingsmaatstaf hanteerde door te eisen dat de grond op de peildatum waarschijnlijk binnen zes jaar buiten landbouwgebruik zou worden aangewend.

De Hoge Raad overwoog dat voor het vaststellen van voordelen uit waardeverandering niet vereist is dat de grond op de peildatum al binnen korte termijn buiten landbouwgebruik zal worden aangewend. Het hof had dit onjuist beoordeeld en gaf onvoldoende inzicht in zijn gedachtegang. Daarom werd het arrest vernietigd en verwezen naar het hof voor een volledige herbeoordeling.

De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan belanghebbende wordt vergoed. De zaak wordt in meervoudige kamer opnieuw behandeld, waarbij de juiste juridische maatstaven dienen te worden toegepast.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofuitspraak en verwijst zaak voor volledige herbeoordeling met correcte toepassing van artikel 70 Wet inkomstenbelasting.

Uitspraak

Nr. 35129
2 februari 2000
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 8 januari 1999 betreffende na te melden beschikking als bedoeld in artikel 70, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Naar aanleiding van een op 23 december 1991 ingediend verzoek van belanghebbende heeft de Inspecteur bij beschikking van 29 maart 1994 het voordeel als bedoeld in lid 1 van voornoemd artikel ter zake van waardeverandering van tot belanghebbendes landbouwbedrijf behorende grond vastgesteld op nihil. Deze beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende exploiteerde sinds 1 januari 1984 met zijn zoon een landbouwbedrijf in de vorm van een maatschap. Tot het voor vijftig percent aan belanghebbende toekomende ondernemingsvermogen behoorde onder meer een perceel grond ter grootte van ongeveer 0.15.00 hectare (hierna: de grond).
De grond had op 31 maart 1986 (hierna: de peildatum) in het toen ter plaatse geldende bestemmingsplan een agrarische bestemming. Op de peildatum was noch een wijziging van dat bestemmingsplan noch een nieuw bestemmingsplan in voorbereiding met betrekking tot het gebied waarin de grond is gelegen.
Bij notariële akte van 20 september 1993 is de grond voor f 154.850,-- verkocht, waarna op de grond in de jaren 1994 en 1995 een kantoorpand met woning is gebouwd. Ook toen gold voor de grond nog steeds een agrarische bestemming. De bouw van evenvermeld pand is mogelijk gemaakt met toepassing van artikel 19 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening.
Burgemeester en wethouders van de gemeente R hebben bij brief van 20 november 1996 aan B - voorzover in cassatie van belang - meegedeeld: "Uit het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat aannemelijk is, hoewel er destijds een ander college van burgemeester en wethouders functioneerde, dat in 1986 dezelfde medewerking zou zijn verleend, aan de bouw van een woning en kantoor (...).".
3.2. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of op de peildatum sprake was van een voordeel als bedoeld in artikel 70, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1991; hierna: de Wet).
3.3. Het Hof heeft geoordeeld: dat van belanghebbende moet worden verlangd dat hij aannemelijk maakt dat en in hoeverre de waarde in het economische verkeer van de grond (hierna: WEV) de waarde in het economische verkeer bij voortgezette agrarische bestemming van de grond (hierna: WEVAB) overtreft; dat belanghebbende daarin niet is geslaagd; dat niet kan worden gezegd dat er op de peildatum een redelijke kans bestond dat de grond voortaan of waarschijnlijk binnenkort, dat wil zeggen binnen zes jaren na de peildatum, buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zou worden aangewend; dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er omstreeks de peildatum sprake was van door burgemeester en wethouders van de gemeente R gevoerd beleid de binnen het bestemmingsplan Z 1974 gelegen agrarische percelen - waaronder de grond - zoveel mogelijk aan hun agrarische bestemming te onttrekken.
3.4. Het eerste middel betoogt dat het Hof een onjuiste beoordelingsmaatstaf heeft aangelegd aangezien, gelijk de Hoge Raad in zijn arrest van 22 februari 1995, nr. 30319, BNB 1995/230, heeft geoordeeld, in het kader van de toepassing van artikel 70 van Pro de Wet niet van belang is of de grond op de peildatum voortaan of waarschijnlijk binnenkort buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zal worden aangewend.
3.5. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat van voordelen als bedoeld in artikel 70, lid 1, van de Wet, welke vóór de peildatum zijn ontstaan, ook sprake kan zijn als de desbetreffende grond niet reeds op de peildatum voortaan of waarschijnlijk binnenkort buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zal worden aangewend, zodat ter vaststelling van die voordelen slechts van belang is het op de peildatum bestaande verschil tussen de WEV en de WEVAB (HR 28 september 1994, nr. 29740, BNB 1994/313, en HR 22 februari 1995, nr. 30319, BNB 1995/230).
3.6. Het door het eerste middel bestreden oordeel geeft geen inzicht in ’s Hofs gedachtegang. Indien het Hof heeft bedoeld dat van voordelen als bedoeld in artikel 70, lid 1, van de Wet, welke vóór de peildatum zijn ontstaan, slechts sprake kan zijn als de grond reeds op de peildatum voortaan of waarschijnlijk binnenkort buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zal worden aangewend, geeft ’s Hofs oordeel blijk van een onjuiste opvatting van genoemde bepaling. Indien het Hof heeft bedoeld dat bij het ontbreken op de peildatum van een redelijke kans dat de grond binnen zes jaren na de peildatum buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zal worden aangewend, op de peildatum de WEV niet hoger kan zijn dan de WEVAB, is ’s Hofs oordeel onbegrijpelijk, aangezien niet valt in te zien dat bij aanwezigheid op de peildatum van een redelijke kans dat de grond eerst na zes jaren na de peildatum buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zal worden aangewend, niet zou kunnen leiden tot een verschil tussen de WEV en de WEVAB op de peildatum. Het eerste middel treft derhalve doel.
3.7. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek van de zaak in volle omvang. Het tweede middel behoeft geen behandeling.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 35130, die betrekking heeft op een andere belanghebbende, met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten fiscale procedures.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de uitspraak van het Hof;
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest;
gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 315,--;
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van f 2.840,--, derhalve f 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is op 2 februari 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Amersfoort en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.