ECLI:NL:HR:2000:AA4849
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Korthals Altes
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Pos
- raadsheer Monné
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beperkte toetsing rechter bij onteigeningsprocedure en niet-ontvankelijkheid van derden
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep tegen een vonnis van de rechtbank dat de vervroegde onteigening van onroerende zaken ten behoeve van de gemeente Oirschot heeft uitgesproken. Eisers tot cassatie waren onder meer een derde die het belang van een overledene vertegenwoordigde en twee vennootschappen die een verzoek tot tussenkomst hadden ingediend, maar door de rechtbank waren afgewezen.
De Hoge Raad bevestigt dat de rechter in onteigeningsprocedures slechts mag toetsen of het bestuursorgaan bij het onteigeningsbesluit redelijkerwijs tot zijn oordeel kon komen, en dat nieuwe feiten of bezwaren die na het besluit zijn ontstaan niet in aanmerking worden genomen. Dit betekent dat de rechter niet zelfstandig de noodzaak van onteigening kan beoordelen op het moment van zijn uitspraak.
De Hoge Raad verklaart de vennootschappen niet-ontvankelijk in hun cassatieberoep omdat zij geen partij waren in het onteigeningsgeding zelf. Ook verklaart hij de derde niet-ontvankelijk voor zover het beroep betrekking had op het vonnis tussen de gemeenten. De middelen van cassatie die gericht waren tegen de inhoudelijke beoordeling van de rechtbank worden verworpen, waaronder het verweer dat zelfrealisatie van de bestemming mogelijk zou zijn en dat onvoldoende serieus zou zijn onderhandeld.
De Hoge Raad benadrukt het wettelijke stelsel van beperkte rechterlijke toetsing in onteigeningszaken en wijst het incidentele cassatieberoep af. Tot slot worden de eisers tot cassatie veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en verklaart enkele partijen niet-ontvankelijk.