ECLI:NL:HR:2000:AA5166

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R99/084HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Herrmann
  • Van der Putt-Lauwers
  • Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 88 Abw (oud)Art. 6:11 AwbArt. 426 RvArt. 14 IVBPRArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens termijnoverschrijding bij terugvordering bijstandskosten

De zaak betreft een verzoek van de gemeente tot terugvordering van bijstandskosten van eiser en diens partner, dat door de kantonrechter en rechtbank werd toegewezen en bekrachtigd. Tegen de eindbeschikking van de rechtbank stelde eiser beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de hand van de toen geldende regels van de Algemene bijstandswet (Abw) en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het cassatieberoep was ingediend na de wettelijke termijn van twee maanden na dagtekening van de beschikking, waardoor het beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard.

Eiser voerde aan dat de termijnoverschrijding gerechtvaardigd was op grond van internationale verdragen en de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar de Hoge Raad verwierp deze argumenten. Er was voldoende tijd om het beroep binnen de termijn in te dienen, en het beroep op een wirwar van regels werd niet als verschoonbaar erkend.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee de eerdere beslissingen van de lagere instanties.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn.

Uitspraak

17 maart 2000
Eerste Kamer
Rek.nr. R99/084HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr J.G. Pherai,
t e g e n
DE GEMEENTE 's-Gravenhage,
gevestigd te 's-Gravenhage,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 23 april 1996 gedateerd verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot de Kantonrechter te 's-Gravenhage en verzocht te bepalen dat een bedrag van ƒ 26.014,-- van [partner van verzoeker] en verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [partner van verzoeker] en [verzoeker] - en dat er daarenboven een bedrag van ƒ 695,21 van [partner van verzoeker] terstond en in het geheel opeisbaar zal zijn.
[Verzoeker] heeft het verzoek bestreden.
De Kantonrechter heeft bij beschikking van 27 januari 1997 het verzoek van de Gemeente toegewezen.
Tegen deze beschikking heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te 's-Gravenhage.
De Gemeente heeft verzocht voormelde beschikking van de Kantonrechter te bekrachtigen.
Bij beschikking van 2 maart 1998 heeft de Rechtbank [verzoeker] tot bewijslevering toegelaten en bij eindbeschikking van 15 februari 1999 de bestreden beschikking bekrachtigd.
Beide beschikkingen van de Rechtbank zijn aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de eindbeschikking van de Rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verzoeker] heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door zijn advocaat.
De Gemeente is in cassatie niet verschenen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Spier strekt tot niet-ontvankelijkverklaring.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1 In deze procedure is het inleidend verzoekschrift, strekkende tot terugvordering van kosten van bijstand, door de Gemeente ingediend op 29 april 1996, derhalve na inwerkingtreding van de nieuwe Algemene bijstandswet (Abw) en vóór de op 1 juli 1997 in werking getreden wijziging van de daarin gegeven bepalingen betreffende terugvordering bij de Wet van 25 april 1996, Stb. 248. Hieruit volgt dat in dit geding van toepassing zijn de procedureregels voor de terugvordering in rechte volgens de Abw, zoals deze regels luidden van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997. Volgens het in die periode geldende art. 88 lid 2 Abw Pro is op het verzoekschrift tot terugvordering “het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing”. Voor het cassatieberoep bepaalt - het ook in genoemde periode geldende - art. 426 lid 1 Rv Pro. dat het beroep kan worden ingesteld binnen twee maanden na de dagtekening der beschikking (vgl. HR 20 februari 1998, nr. 9041, NJ 1999, 561).
Nu de bestreden beschikking is gedateerd 15 februari 1999 en het verzoekschrift waarbij cassatieberoep wordt ingesteld op 23 april 1999 bij de Hoge Raad is binnengekomen, is de voor het cassatieberoep beschikbare termijn overschreden. Het beroep zal derhalve niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
3.2 Hetgeen door [verzoeker] is aangevoerd ter rechtvaardiging van de termijnoverschrijding kan niet tot een ander oordeel leiden. Noch art. 14 IVBPR Pro noch art. 6 EVRM Pro staat eraan in de weg dat, hoewel de bestreden beschikking eerst tien dagen na te zijn uitgesproken is verzonden, [verzoeker] niet gebonden zou zijn aan de in art. 426 lid 1 Rv Pro. voorgeschreven termijn. Aannemende dat [verzoeker] eerst na de verzending kennis kreeg van de bestreden beschikking, resteerde voor hem voldoende tijd om beroep in te stellen. Voorzover [verzoeker] heeft beoogd een beroep te doen op toepassing van art. 6:11 Awb Pro (vgl. HR 28 mei 1999, nr. R98/110, NJ 1999, 613), moet dit beroep van de hand worden gewezen nu [verzoeker] in cassatie geen omstandigheden heeft aangevoerd die de gevolgtrekking wettigen dat de indiening van het cassatieberoep zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk heeft plaatsgevonden. Met name kan voor het antwoord op de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is niet als aanknopingspunt dienen dat sprake zou zijn van “een wirwar van regels”, nu dit tot een voor de praktijk niet goed te hanteren maatstaf zou leiden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren Herrmann, als voorzitter, Van der Putt-Lauwers en Fleers, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 17 maart 2000.