ECLI:NL:HR:2000:AA5439
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- G.J.M. Corstens
- A.M.M. Orie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafbaarheid overtredingen Rijtijdenwet en verwerpt cassatie
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Economische Kamer, waarin verdachte is veroordeeld voor 24 overtredingen van voorschriften gesteld krachtens artikel 1 van Pro de Rijtijdenwet 1936. Het hof had het vonnis van de Economische Politierechter vernietigd en verdachte veroordeeld tot geldboeten.
Verdachte voerde onder meer aan dat de Rijtijdenwet 1936 niet langer van toepassing was vanwege de inwerkingtreding van de Arbeidstijdenwet en dat de strafbepalingen niet in overeenstemming zouden zijn met het EG-Verdrag. De Hoge Raad oordeelde dat de overgangsregeling van de Arbeidstijdenwet van toepassing is op de feiten die in 1996 zijn begaan, zodat de Rijtijdenwet 1936 nog steeds geldt.
Verder stelde verdachte dat de strafbepalingen niet gelijkwaardig waren aan die van het gemeenschapsrecht, maar de Hoge Raad stelde vast dat overtredingen van het EG-Verdrag en de Rijtijdenwet onder gelijke materiële en formele voorwaarden worden bestraft. Ook werd het verweer dat een langere referteperiode van 30 uur in plaats van 24 uur zou moeten gelden, verworpen omdat het hof dit verweer terecht niet aannam en voldoende gemotiveerd heeft beslist.
De Hoge Raad concludeert dat geen van de middelen tot cassatie kan leiden en dat het beroep moet worden verworpen. De bestreden uitspraak blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor overtredingen van de Rijtijdenwet 1936 blijft in stand.