ECLI:NL:HR:2000:AA5656

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 april 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R00/009HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R. Herrmann
  • A.E.M. Van der Putt-Lauwers
  • J.B. Fleers
  • W.H. Heemskerk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 92 ROArt. 119 GwArt. 4 B 19 Wet van 22 april 1855Art. 483 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van klager in beklag tegen weigering vervolging ministers wegens ambtsmisdrijven

Klager diende een beklag in bij het Gerechtshof Amsterdam tegen de weigering van de Officier van Justitie om de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Minister van Verkeer, Ruimtelijke Ordening en Milieu te vervolgen wegens vermeende ambtsmisdrijven.

Het Hof verklaarde zich onbevoegd om op het beklag te beslissen en verwees de zaak naar de Hoge Raad. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van klager.

De Hoge Raad oordeelde dat hoewel het beklag betrekking heeft op strafbare feiten waarvan de Hoge Raad in eerste aanleg kennis neemt, de opdracht tot vervolging van ambtsmisdrijven alleen kan worden gegeven door Koninklijk Besluit of de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De Hoge Raad is niet bevoegd tot het geven van een dergelijke vervolgingsopdracht, waardoor het beklag kennelijk niet-ontvankelijk is.

De Hoge Raad verklaarde klager niet-ontvankelijk in zijn beklag en bepaalde dat oproeping van klager achterwege kon blijven. De beschikking werd gegeven door de raadsheren R. Herrmann (voorzitter), A.E.M. Van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers en in het openbaar uitgesproken door W.H. Heemskerk op 28 april 2000.

Uitkomst: Klager wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag wegens gebrek aan bevoegdheid van de Hoge Raad tot het geven van een vervolgingsopdracht.

Uitspraak

28 april 2000
Eerste Kamer
Rek.nr. R00/009HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[klager],
wonende te [woonplaats],
[...]
1. Het geding in feitelijke instantie
Met een op 5 augustus 1999 ter griffie van het Gerechtshof te Amsterdam ingediend klaagschrift heeft [klager] - […] - zich gewend tot dat Hof met een beklag tegen de weigering van de Officier van Justitie in het arrondissement Alkmaar om de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Minister van Verkeer, Ruimtelijke Ordening en Milieu te vervolgen wegens volgens klager door hen gepleegde ambtsmisdrijven.
Nadat de Advocaat-Generaal bij het Hof had geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de klacht, heeft het Hof zich bij beschikking van 13 januari 2000 onbevoegd verklaard op het beklag te beslissen en het beklag naar de Hoge Raad verwezen.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van klager in zijn beklag.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beklag. Het beklag betreft weliswaar strafbare feiten waarvan de Hoge Raad in eerste aanleg kennis neemt, te weten door de onder 1 genoemde Ministers beweerdelijk gepleegde ambtsmisdrijven als bedoeld in art. 92 RO Pro, maar de opdracht tot vervolging ter zake van zodanige ambtsmisdrijven kan slechts worden gegeven bij Koninklijk Besluit of bij besluit van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (art. 119 Gw Pro.; art. 4 B 19 Wet van 22 april 1855, Stb. 33, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de hoofden der Ministeriële Departementen; art. 483, leden 1 en 2 Sv.), derhalve niet door de Hoge Raad.
Nu de Hoge Raad niet bevoegd is opdracht te geven tot vervolging van ambtsmisdrijven als door klager bedoeld, is zijn beklag kennelijk niet-ontvankelijk. Dit brengt mee dat oproeping van klager achterwege kan blijven.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, A.E.M. Van der Putt-Lauwers en J.B. Fleers, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 28 april 2000.