ECLI:NL:HR:2000:AA5781
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- C.H.M. Jansen
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- J.B. Fleers
- A. Hammerstein
- W.H. Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep inzake voorlopig getuigenverhoor
In deze zaak hebben verzoekers cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het Gerechtshof Amsterdam, waarin het hof het hoger beroep van Euro Holding tegen een beschikking van de Rechtbank Amsterdam tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor ongegrond verklaarde en de beschikking van de rechtbank bekrachtigde.
De Rechtbank had het verzoek van verweerster tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor toegewezen. Euro Holding stelde in hoger beroep dat er sprake was van verzuim van essentiële vormen, met name dat zij als belanghebbende niet was opgeroepen, en werd door het hof ontvankelijk verklaard. Het hof oordeelde dat de rechtbank art. 214 Rv Pro met verzuim van essentiële vormen had toegepast, maar vond de inhoudelijke bezwaren ongegrond en bekrachtigde de beschikking.
Verzoekers stelden in cassatie dat het hof ten onrechte had gehandeld, maar uit hun middel bleek geen klacht dat art. 214 Rv Pro ten onrechte of met verzuim van essentiële vormen was toegepast of buiten toepassing gelaten. De Hoge Raad verklaarde verzoekers daarom niet-ontvankelijk in hun beroep.
De uitspraak werd gedaan door een kamer van de Hoge Raad onder voorzitterschap van vice-president Mijnssen en raadsheren Jansen, van der Putt-Lauwers, Fleers, Hammerstein en Heemskerk als griffier.
Uitkomst: Verzoekers worden niet-ontvankelijk verklaard in hun cassatieberoep wegens het ontbreken van een geldige klacht over de toepassing van art. 214 Rv.