ECLI:NL:HR:2000:AA6002
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- H.A.M. Aaftink
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vervangende jeugddetentie bij maatregel tot schadevergoeding
In deze zaak stond de vraag centraal of bij de oplegging van een maatregel tot schadevergoeding aan een jeugdige verdachte de vervangende hechtenis als bedoeld in art. 24c Sr of de vervangende jeugddetentie uit art. 77l Sr van toepassing is. Het Hof had de verdachte veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid en het betalen van een schadevergoeding, waarbij bij gebreke van betaling vervangende jeugddetentie werd opgelegd.
De verdediging betwistte deze toepassing van vervangende jeugddetentie, stellende dat art. 24c Sr van toepassing zou moeten zijn. De Hoge Raad analyseerde de samenhang tussen de bepalingen in titel VIIIA van het Wetboek van Strafrecht, die bijzondere regels voor jeugdigen bevatten, en de algemene bepalingen over vervangende hechtenis.
De Hoge Raad concludeerde dat op grond van een redelijke en wetgevergerichte uitleg art. 77l Sr van overeenkomstige toepassing is in plaats van art. 24c Sr bij de maatregel tot schadevergoeding voor jeugdigen. Dit oordeel werd bevestigd door latere wetswijzigingen die dit expliciet maakten. Het beroep van de verdachte werd verworpen en het arrest van het Hof bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat vervangende jeugddetentie op grond van art. 77l Sr terecht kan worden opgelegd bij een maatregel tot schadevergoeding aan jeugdigen.