ECLI:NL:HR:2000:AA6115

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juni 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
35211
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • G.J. Zuurmond
  • L. Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt weigering toepassing hardheidsclausule bij successieschenking

In deze zaak stond centraal of bij een schenking in 1995 van een erflaatster aan haar schoonzuster het tarief en de vrijstelling voor personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren toegepast konden worden. De erflaatster en haar broer en schoonzuster hadden van 1945 tot 1983 een gezamenlijke huishouding gevoerd. Na opname van de erflaatster in een verpleeghuis en verhuizing van de schoonzuster naar een verzorgingstehuis, vond de schenking plaats.

Belanghebbenden stelden zich op het standpunt dat op grond van een publicatie van de Staatssecretaris van Financiën uit 1989 het gunstiger tarief en vrijstelling van toepassing moesten zijn, waarbij zij een beroep deden op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. De Inspecteur handhaafde de aanslag, het Hof bevestigde dit oordeel en verwierp het beroep op deze beginselen.

De Hoge Raad oordeelde dat de mededeling van de Staatssecretaris in 1989 niet als een algemeen beleid kan worden opgevat om in alle vergelijkbare gevallen de hardheidsclausule toe te passen. Bovendien verschillen de feitelijke omstandigheden van de onderhavige schenking aanzienlijk van het in de publicatie beschreven geval. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde daarom eveneens. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en wees proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de aanslag in het recht van schenking.

Uitspraak

Nr. 35211
7 juni 2000
gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenamen van Y gewoond hebbende te Z (hierna: erflaatster) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 9 februari 1999 betreffende de terzake van na te melden schenking opgelegde aanslag in het recht van schenking.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Terzake van een schenking door erflaatster aan X op 10 januari 1995 is aan laatstgenoemde een aanslag in het recht van schenking opgelegd naar een verkrijging van f 1.204.004,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbenden zijn van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Van 1945 tot 1983 hebben erflaatster, haar broer en haar schoonzuster een gemeenschappelijke huishouding gevoerd. In 1983 is erflaatster opgenomen in een verpleeghuis. Na het overlijden van haar man is de schoonzuster in 1991 verhuisd naar een verzorgingstehuis. Erflaatster heeft in 1995 een schenking gedaan aan de schoonzuster. In cassatie is tussen partijen in geschil of gezien de mededeling van de Staatssecretaris van Financiën van 18 september 1989, nr. IB89/767, Infobulletin 1990/163, op de schenking het tarief en de vrijstelling geldend voor de personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren van toepassing is. Belanghebbenden beroepen zich daarbij op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.
3.2. In de publicatie MvF nr. IB89/767 van 18 september 1989, Infobulletin 1990/163, wordt medegedeeld dat de Staatssecretaris van Financiën in een specifiek geval, waarin hij kennelijk een onbillijkheid van overwegende aard aanwezig oordeelde, toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule. Die enkele mededeling kan redelijkerwijs niet worden opgevat als bekendmaking van een beleid om in alle gevallen die min of meer overeenkomen met het geval dat daar aan de orde was, ongeacht de verschillen in feitelijke omstandigheden, een tegemoetkoming op grond van de hardheidsclausule te verlenen. Het Hof heeft dan ook terecht het beroep van belanghebbende op aan die publicatie te ontlenen vertrouwen verworpen. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de feitelijke omstandigheden van het onderhavige geval aanzienlijk verschillen van die van het in de bekendmaking beschreven geval, en dat daarom ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 7 juni 2000 vastgesteld door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond en L. Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier I. de Bruin, en op die datum in het openbaar uitgesproken.