ECLI:NL:HR:2000:AA6121
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- A.E. de Moor
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt cassatie tegen naheffingsaanslag omzetbelasting over gemengd gebruik pand
Belanghebbende huurde een voormalig bankgebouw waarvan de begane grond werd gebruikt voor antiekhandel en de eerste en tweede verdieping voor kamerverhuur. Op verzoek van belanghebbende en verhuurder werd door de Inspecteur een beschikking afgegeven waardoor de verhuur van het pand niet langer vrijgesteld was van omzetbelasting. De verhuurder bracht over de volle huurprijs omzetbelasting in rekening, die belanghebbende in aftrek bracht.
De Inspecteur stelde dat slechts 50% van de omzetbelasting betrekking had op de antiekhandel en heffingsaanslag werd opgelegd voor het deel dat betrekking had op de kamerverhuur. Het Hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat meer dan 50% van de huur betrekking had op de antiekhandel en verklaarde het beroep ongegrond.
De Hoge Raad overwoog dat de beschikking niet kon worden uitgebreid tot de woonruimte en dat op grond van artikel 15, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat voor de huur van woonruimte. Het feit dat de belastingdienst de ten onrechte geheven omzetbelasting niet heeft gerestitueerd doet hieraan niet af. Het cassatieberoep werd verworpen.
De Hoge Raad zag geen aanleiding voor veroordeling in proceskosten en stelde het arrest vast op 7 juni 2000.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de naheffingsaanslag omzetbelasting voor 50% van de huurprijs.