ECLI:NL:HR:2000:AA6121

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juni 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
35496
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • A.E. de Moor
  • D.G. van Vliet
  • P.J. van Amersfoort
  • P. Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 1 onderdeel b Wet op de omzetbelasting 1968Art. 11 lid 2 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968Art. 15 lid 1 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie tegen naheffingsaanslag omzetbelasting over gemengd gebruik pand

Belanghebbende huurde een voormalig bankgebouw waarvan de begane grond werd gebruikt voor antiekhandel en de eerste en tweede verdieping voor kamerverhuur. Op verzoek van belanghebbende en verhuurder werd door de Inspecteur een beschikking afgegeven waardoor de verhuur van het pand niet langer vrijgesteld was van omzetbelasting. De verhuurder bracht over de volle huurprijs omzetbelasting in rekening, die belanghebbende in aftrek bracht.

De Inspecteur stelde dat slechts 50% van de omzetbelasting betrekking had op de antiekhandel en heffingsaanslag werd opgelegd voor het deel dat betrekking had op de kamerverhuur. Het Hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat meer dan 50% van de huur betrekking had op de antiekhandel en verklaarde het beroep ongegrond.

De Hoge Raad overwoog dat de beschikking niet kon worden uitgebreid tot de woonruimte en dat op grond van artikel 15, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat voor de huur van woonruimte. Het feit dat de belastingdienst de ten onrechte geheven omzetbelasting niet heeft gerestitueerd doet hieraan niet af. Het cassatieberoep werd verworpen.

De Hoge Raad zag geen aanleiding voor veroordeling in proceskosten en stelde het arrest vast op 7 juni 2000.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de naheffingsaanslag omzetbelasting voor 50% van de huurprijs.

Uitspraak

Nr. 35496
7 juni 2000
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 juni 1999 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1993 tot en met 31 december 1995 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 13.641,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep ongegrond heeft verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende heeft een voormalig bankgebouw (hierna: het pand) gehuurd, waarvan zij de begane grond is gaan gebruiken voor de antiekhandel en de eerste en tweede verdieping voor kamerverhuur. Bij brief van 24 maart 1992 hebben belanghebbende en de verhuurder op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel b, 5o, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst tot 31 maart 1995, 18.00 uur; hierna: de Wet) aan de Inspecteur verzocht om te worden uitgezonderd van de vrijstelling van omzetbelasting voor de verhuur van het pand. De Inspecteur heeft dit verzoek ingewilligd en hiertoe een beschikking afgegeven. De verhuurder heeft over de volledige huurprijs omzetbelasting in rekening gebracht, welke belasting belanghebbende in aftrek heeft gebracht.
De Inspecteur heeft, zich op het standpunt stellende dat het werkelijke gebruik in de zin van artikel 11, lid 2, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 van de door de verhuurder aan het pand verrichte prestatie voor 50% betrekking heeft op de kamerverhuur van belanghebbende, de helft van de hiervóór genoemde in aftrek gebrachte belasting nageheven.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet althans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat meer dan 50% van de ter zake van de huur van het pand in rekening gebrachte omzetbelasting ziet op de antiekhandel.
De klachten strekken ten betoge dat de door de verhuurder in rekening gebrachte omzetbelasting geheel voor aftrek in aanmerking komt, nu de hiervóór in 3.1 genoemde beschikking voor wat betreft de woonruimte ten onrechte is afgegeven en de verhuurder - zij het ten onrechte - over het volle bedrag van de huurprijs omzetbelasting in rekening heeft gebracht en op aangifte heeft voldaan.
De klachten miskennen dat gemelde beschikking zich niet kon uitstrekken tot de verhuur van het als woonruimte gebruikte gedeelte van het pand. Niet in geschil is dat artikel 15, lid 1, van de Wet meebrengt dat belanghebbende ter zake van die huur geen recht op aftrek van voorbelasting heeft. Anders dan waarvan de klachten uitgaan, kan de omstandigheid dat de belastingdienst de door de verhuurder ten onrechte in rekening gebrachte en op aangifte voldane omzetbelasting niet heeft gerestitueerd, aan de werking van voormeld artikel niet afdoen. De klachten kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 7 juni 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren A.E. de Moor, D.G. van Vliet, P.J. van Amersfoort en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.