ECLI:NL:HR:2000:AA6316

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
35433
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • A.E. de Moor
  • D.G. van Vliet
  • P.J. van Amersfoort
  • P. Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 4 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing fiscale eenheid omzetbelasting wegens ontbreken financiële verwevenheid

Belanghebbende, een fiscale eenheid voor de omzetbelasting actief in organisatie-advies, had bezwaar gemaakt tegen een beschikking van de Inspecteur waarin werd vastgesteld dat geen fiscale eenheid bestond met de aandeelhouders van A B.V. Dit bezwaar werd afgewezen en het Hof bevestigde deze uitspraak. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

De kern van het geschil betrof de vraag of er sprake was van financiële verwevenheid tussen belanghebbende en de personal holdings die de aandelen hielden. Het Hof oordeelde dat deze verwevenheid ontbrak omdat de aandelen in de personal holdings in handen waren van verschillende natuurlijke personen en de financiële positie van de holdings onafhankelijk was van elkaar.

De Hoge Raad stelde vast dat het oordeel van het Hof geen onjuiste uitleg gaf aan artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 en dat feitelijke waarderingen niet in cassatie getoetst kunnen worden. Daarom werd het cassatieberoep verworpen. Tevens werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van het Hof bevestigd dat geen fiscale eenheid bestaat wegens ontbreken van financiële verwevenheid.

Uitspraak

Nr. 35433
28 juni 2000
gewezen op het beroep in cassatie van de fiscale eenheid X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 28 mei 1999 betreffende na te melden beschikking van de Inspecteur.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Ten aanzien van belanghebbende is door de Inspecteur op 4 september 1997 een beschikking gegeven, onder meer inhoudende dat belanghebbende niet een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) vormt met de aandeelhouders van A B.V. Het tegen deze beschikking gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur afgewezen.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van het middel van cassatie
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende, een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, houdt zich bezig met het verstrekken van organisatie-adviezen. Alle aandelen in belanghebbende worden gehouden door zogenoemde personal holdings, door ieder voor een gelijk deel. De aandelen in de personal holdings zijn telkens voor 100 procent in handen van verschillende natuurlijke personen, die tevens werknemer (directeur) van hun personal holding zijn. Belanghebbende heeft met de personal holdings managementovereenkomsten gesloten. In die overeenkomsten verplichten de personal holdings zich tegen vergoeding de volledige arbeidskracht en kennis van haar directeur/aandeelhouder ter beschikking te stellen aan belanghebbende. De personal holdings hebben voorts een samenwerkingsovereenkomst gesloten met als doel de samenwerking tussen de personal holdings en belanghebbende te regelen. De directie van belanghebbende wordt gevormd door een aantal directeuren van de personal holdings. Elke drie jaar vindt een directiewijziging plaats.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende en de personal holdings geen fiscale eenheid voor de omzetbelasting kunnen vormen, omdat in casu niet is voldaan aan het vereiste van financiële verwevenheid, nu de aandelen in de personal holdings in handen zijn van verschillende natuurlijke personen en de financiële positie van een personal holding in het geheel niet afhankelijk is van de financiële positie van de andere personal holdings.
Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting van artikel 7, lid 4, van de Wet en kan als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het middel, dat ’s Hofs oordeel bestrijdt, kan dus niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroorde-ling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet admi-nistratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 28 juni 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren A.E. de Moor, D.G. van Vliet, P.J. van Amersfoort en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.