ECLI:NL:PHR:2009:BF0401
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Financiële verwevenheid en fiscale eenheid tussen twee stichtingen voor omzetbelasting
In deze zaak staat centraal of Stichting X2 en Stichting X1 als één belastingplichtige kunnen worden aangemerkt op grond van artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968, vanwege hun financiële, economische en organisatorische verwevenheid.
De feiten betreffen twee stichtingen waarbij Stichting X1 in 1996 door Stichting X2 is opgericht en activiteiten van Stichting X2 heeft overgenomen. De stichtingen hebben een nauwe bestuurlijke en economische band, waarbij Stichting X2 het bestuur van Stichting X1 benoemt en de jaarrekening van Stichting X1 volledig wordt geïntegreerd in die van Stichting X2. Financieel verstrekt Stichting X2 middelen aan Stichting X1 via een rekening-courant, zonder rente of aflossingsschema.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of er ook sprake is van voldoende financiële verwevenheid om een fiscale eenheid te vormen. Het Hof oordeelde van wel, maar de Staatssecretaris betwist dit en voert aan dat de financiële positie en gedragingen niet rechtstreeks afhankelijk zijn, en dat de volmachten niet duiden op onbeperkte beschikking over elkaars bankrekeningen.
De Procureur-Generaal concludeert dat de Hoge Raad het criterium van financiële verwevenheid zoals geformuleerd in eerdere jurisprudentie streng hanteert en dat dit criterium mogelijk te strikt is voor stichtingen. Hij pleit voor een rechtsvormneutrale benadering waarbij financiële, economische en organisatorische verwevenheid in onderling verband worden bezien. De conclusie bevat een voorstel tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de interpretatie van artikel 4, lid 4, van de Zesde richtlijn inzake fiscale eenheid.
Uitkomst: Het Hof heeft terecht geoordeeld dat Stichting X2 en Stichting X1 financieel nauw genoeg verweven zijn om als fiscale eenheid te worden beschouwd, maar de interpretatie van de verwevenheid is een communautaire kwestie waarvoor prejudiciële vragen aan het HvJ EU worden voorgesteld.