ECLI:NL:HR:2000:AA6524
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing toepassing artikel 18 Wet inkomstenbelasting bij liquidatie onderneming en inbreng in Belgische rechtspersoon
Belanghebbende en zijn zoon dreven samen een visserijbedrijf in de vorm van een vennootschap onder firma. In 1994 werden schepen uit de vaart genomen en verkocht, waarbij saneringsuitkeringen en boekwinsten werden gerealiseerd. De onderneming werd vervolgens omgezet in een B.V. en de visserijactiviteiten werden voortgezet via een Belgische rechtspersoon.
De Inspecteur legde een aanslag op naar aanleiding van het belastbaar inkomen, waarbij toepassing van artikel 18 van Pro de Wet inkomstenbelasting 1964 werd geweigerd. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de liquidatie van de Nederlandse onderneming en de inbreng in de Belgische vennootschap onderdeel waren van een samenhangend geheel van rechtshandelingen, waardoor artikel 18 niet Pro van toepassing was.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af. Er is geen sprake van inbreng in de zin van artikel 18, maar van liquidatie van de onderneming. De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig voor proceskostenveroordeling en verklaart het arrest in het openbaar.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat artikel 18 van de Wet inkomstenbelasting niet van toepassing is bij liquidatie van de onderneming en inbreng in een Belgische rechtspersoon.