Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Kamerstukken II, 1998-1999, 26 727, nr. 3, blz. 143] met betrekking tot artikel 3.108 van de Wet IB 2001 volgt dat de wetgever, voor zover het gaat over de aftrekbaarheid van kosten van uitkeringen en verstrekkingen, geen wijziging heeft beoogd ten opzichte van artikel 35 van Pro de Wet IB 1964. Niet in geschil is dat de onderhavige uitkering niet kan worden aangemerkt als ten sterfdage nog niet vorderbare termijnen van renten, van uitkeringen, van bezoldigingen en van andere inkomsten, zodat de in de parlementaire geschiedenis genoemde vrijstelling van artikel 32, onder 10, van de Successiewet 1956 niet van toepassing is. Met betrekking tot de gevallen waarin deze vrijstelling geen toepassing kan vinden omdat niet van een ten sterfdage nog lopende termijn van inkomsten kan worden gesproken, heeft de wetgever uitdrukkelijk gewezen op de aftrekbaarheid van het over een dergelijke bate betaalde successierecht als kosten tot verwerving, drukkende op de later aan de erfgenamen toevloeiende inkomsten. In deze gevallen staat volgens de wetgever tegenover de aftrekbaarheid van de verschuldigde inkomstenbelasting in de boedel van de erflater, indien de opbrengst nog voor het overlijden vorderbaar en inbaar zou zijn geworden, de aftrekbaarheid van het successierecht voor de inkomstenbelasting van de erfgenamen.
3.Het geding in cassatie
4.Wetgeving, parlementaire geschiedenis, jurisprudentie en literatuur
Wetgeving
GoedkeuringIk keur met toepassing van artikel 63 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (de hardheidsclausule) goed dat een belastinglatentie in aanmerking wordt genomen bij afkoop van een stamrecht. Hierbij geldt de voorwaarde dat de afkoop is onderworpen aan de heffing van Nederlandse inkomstenbelasting. De uitkering is belast voor de inkomstenbelasting en de erfbelasting. Naar mijn oordeel is geen sprake van een ongerechtvaardigde cumulatieve heffing. Voor de erfbelasting is immers rekening gehouden met de (latente) inkomstenbelasting die is verschuldigd door de afkoop. Verzoeken in zo’n geval de hardheidsclausule toe te passen, wijs ik daarom af. (…)
Op grond van de systematiek van de Successiewet 1956, af te leiden uit de artt. 45 en 53 van die wet, moet belanghebbende geacht worden te hebben verkregen een waarde van f 21.353 in de vorm van een verzekerd kapitaal met lijfrenteclausule en een bedrag van f 30.000 in contanten.
De vraag of dit recht zozeer een stamrecht nabij komt dat ook dit recht voor de toepassing van de Successiewet 1956 als een stamrecht moet worden behandeld, beantwoordt het Hof ontkennend. Niet alleen is er geen sprake van een recht dat in de toekomst tot een stamrecht zal leiden, maar evenmin is er sprake van een mogelijke heffing (in de toekomst) bij de verkrijger van inkomstenbelasting over periodieke uitkeringen. De strekking van het vijfde en zesde lid van genoemd art. 20 is Pro niet om iedere samenloop van inkomstenbelasting en successierecht te voorkomen, maar slechts die welke in de in het vijfde lid genoemde gevallen voortvloeit uit hetgeen de erflater heeft bepaald.
5.5. Op grond van het vorenoverwogene moet er voor de toepassing van de Successiewet 1956 van worden uitgegaan dat belanghebbende een stamrecht heeft verkregen ter waarde van f 21.353 en van een bedrag van f 30.000 in contanten. Op dit laatste bedrag kan de belastinglatentie van dertig procent niet in mindering worden gebracht.
als er in de sfeer van het successierecht een aan redelijke eisen voldoende aftrekregeling bestaat, er geen reden is om in de sfeer van de inkomstenbelasting nog aftrek van successierecht toe te staan.
V-Nhet volgende opgemerkt met betrekking tot de voorwaarden waaronder successierechten als aftrekbare kosten voor de inkomstenbelasting kunnen worden beschouwd: [33]
V-Nheeft in 1999 het volgende geschreven met betrekking tot situaties waarbij sprake is van samenloop tussen de inkomstenbelasting en de heffing van successierecht waarbij – zoals in de hier voorliggende zaak – in de successiewet op forfaitaire wijze rekening is gehouden met de heffing in de inkomstenbelasting: [34]
5.Beschouwing en behandeling van het middel
Kamerstukken II1979/80, 16016, nr. 21, zie 4.9) voorzien in de mogelijkheid tot aftrek van (een gedeelte van de) latente inkomstenbelasting wegens onder andere de verkrijging van stamrechten, zie artikel 20, lid 5 en 6, SW (zie 4.4).