ECLI:NL:HR:2000:AA7037
Hoge Raad
- Cassatie
- H.L.J. Roelvink
- P. Neleman
- C.H.M. Jansen
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- P.C. Kop
- W.H. Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van litispendentie bij gelijktijdige echtscheidingsprocedures in Nederland en de Verenigde Staten
De zaak betreft een geschil tussen een vrouw en een man over echtscheiding en gezag over hun minderjarige kind. De vrouw had een echtscheidingsverzoek in Nederland ingediend en later ingetrokken, waarna de man een zelfstandig verzoek tot echtscheiding en gezagsregeling indiende. Tegelijkertijd was in de Verenigde Staten een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt door de vrouw.
De Rechtbank verklaarde de vrouw niet-ontvankelijk en behandelde het verzoek van de man als een nieuw ingediend echtscheidingsverzoek. De vrouw stelde hoger beroep in tegen deze beslissing en voerde aan dat er sprake was van litispendentie vanwege de Amerikaanse procedure. Het Hof verwierp deze exceptie en bevestigde dat het Nederlandse verzoek eerder was ingediend.
De vrouw stelde cassatie in bij de Hoge Raad, stellende dat de Nederlandse rechter zich onbevoegd had moeten verklaren vanwege de lopende Amerikaanse procedure. De Hoge Raad verwierp dit beroep, stellende dat er geen verdrag bestaat dat de Nederlandse rechter verplicht zich onbevoegd te verklaren bij een gelijktijdige buitenlandse procedure. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het Hof de feiten en rechtstoestand juist had beoordeeld en voldoende had gemotiveerd waarom het Nederlandse verzoek als eerder was aangemerkt dan het Amerikaanse.
De Hoge Raad bevestigde daarmee de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van het echtscheidingsverzoek en verwierp het cassatieberoep van de vrouw.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de bevoegdheid van de Nederlandse rechter ondanks de gelijktijdige Amerikaanse procedure.