ECLI:NL:HR:2000:AA7413
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over werkelijke leiding en dividendbelasting bij verplaatsing naar Aruba
Belanghebbende, een Nederlandse BV opgericht in 1966, verplaatste haar werkelijke leiding in januari 1989 naar Aruba, waarbij haar directeuren en aandeelhouders eveneens emigreerden. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag dividendbelasting op over 1990, welke na bezwaar en beroep door het Hof werd bevestigd.
Het geschil betrof de uitleg van artikel 34 lid 2 tweede Pro volzin van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK), met name of de uitzondering op de heffing van dividendbelasting ook geldt indien dividend wordt uitgekeerd aan een natuurlijke persoon en of de verplaatsing van de werkelijke leiding met het oog op het vermijden van dividendbelasting de doorslaggevende reden was.
De Hoge Raad oordeelde dat de tekst en wetsgeschiedenis van artikel 34 lid 2 BRK Pro geen onderscheid maken tussen dividenduitkeringen aan lichamen of natuurlijke personen en dat het oordeel van het Hof dat de werkelijke leiding in januari 1989 naar Aruba werd verplaatst niet onbegrijpelijk was. Wel stelde de Hoge Raad dat het oordeel over de doorslaggevende reden voor verplaatsing moet zien op het oogmerk van degenen die feitelijk het besluit namen, en niet alleen op de vennootschap zelf.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling en beslissing. Tevens werden proceskosten aan de zijde van belanghebbende toegewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling.