ECLI:NL:HR:2004:AO7709
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt oordeel dat zetelverplaatsing niet gericht was op ontgaan dividendbelasting
Belanghebbende had beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag dividendbelasting over 1990, waarbij het Gerechtshof te 's-Gravenhage de uitspraak van de Inspecteur bevestigde dat de werkelijke leiding niet met het doel was verplaatst om dividendbelasting te ontgaan.
Het Hof oordeelde dat de betaling van een lumpsum aan de Arubaanse fiscus het belangrijkste element van de ruling was, en dat de zetelverplaatsing niet noodzakelijk was voor de onbelastbaarheid van de dividenduitkering. Tevens stelde het Hof dat aandeelhouders ook een ruling hadden kunnen verkrijgen zonder de voorwaarde van zetelverplaatsing.
De Hoge Raad stelde vast dat het Hof binnen de rechtsstrijd bleef en dat diens oordelen over de motieven en feiten niet onbegrijpelijk waren. De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen en bevestigde dat praktische, persoonlijke en fiscale motieven niet aantoonbaar een doorslaggevende rol speelden bij de zetelverplaatsing.
De Hoge Raad achtte geen reden voor kostenveroordeling en verklaarde het beroep ongegrond, waarmee het arrest van het Hof werd bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt het oordeel dat de zetelverplaatsing niet gericht was op het ontgaan van dividendbelasting.