ECLI:NL:HR:2000:AA7416
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt volledige desinvesteringsbetaling bij inbreng bedrijfsmiddel in vennootschap onder firma
Belanghebbende bracht per 1 januari 1991 zijn onderneming in een vennootschap onder firma in, waarbij hij voor 70% in de winst en verlies deelt en zijn echtgenote voor 30%. Tot de ingebracht bedrijfsmiddelen behoorde een vrachtwagen die in 1995 door de firma werd verkocht. Belanghebbende stelde dat hij slechts een desinvesteringsbetaling verschuldigd was over zijn aandeel van 70% in de opbrengst, terwijl de Inspecteur de volledige opbrengst als grondslag nam.
Het Hof bevestigde het standpunt van de Inspecteur en oordeelde dat belanghebbende gerechtigd was tot de volledige opbrengst van de vrachtwagen en daarom ook de volledige desinvesteringsbetaling verschuldigd was. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en overwoog dat de inbreng tegen creditering in de boeken van de firma niet als een vervreemding wordt gezien, maar dat de inbrenger gerechtigd blijft tot de volledige opbrengst zolang de creditering op zijn kapitaalrekening aanwezig is.
De Hoge Raad besprak uitgebreid eerdere jurisprudentie over investerings- en desinvesteringsbetalingen bij personenvennootschappen en concludeerde dat het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk is. Tevens werd opgemerkt dat de huidige jurisprudentie leidt tot onzekerheid en dat een nieuwe benadering in de toekomst wenselijk kan zijn. Het beroep in cassatie werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat belanghebbende de volledige desinvesteringsbetaling verschuldigd is over de gehele verkoopopbrengst van de vrachtwagen.