ECLI:NL:PHR:2000:AA7416
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad arrest over desinvesteringsbijtelling bij inbreng bedrijfsmiddelen in vennootschap onder firma
In deze zaak staat centraal de fiscale behandeling van de desinvesteringsbijtelling bij de vervreemding van bedrijfsmiddelen die een vennoot heeft ingebracht in een vennootschap onder firma (vof). Belanghebbende bracht zijn onderneming in de vof in en werd op de kapitaalrekening gecrediteerd voor de waarde van de inbreng. Bij verkoop van een vrachtwagen die deel uitmaakte van de inbreng, ontstond discussie over de omvang van de verschuldigde desinvesteringsbijtelling.
De inspecteur stelde dat de desinvesteringsbijtelling berekend moest worden over de volledige inbrengwaarde, terwijl belanghebbende meende dat deze slechts over zijn winstverdelingsaandeel (70%) verschuldigd was. Het Hof stelde de inspecteur in het gelijk. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat de vennoot die bedrijfsmiddelen inbrengt en daarvoor wordt gecrediteerd, bij vervreemding of uittreden een desinvesteringsbijtelling verschuldigd is over de volledige inbrengwaarde, of de lagere waarde bij verkoop of uittreden.
De Hoge Raad baseert zich op eerdere jurisprudentie en het Besluit van 17 januari 1997, waarin is bepaald dat de desinvesteringsbijtelling moet worden toegepast over de inbrengwaarde waarvoor de vennoot is gecrediteerd. De winstverdeling binnen de vof is niet bepalend voor de omvang van de desinvesteringsbijtelling. Tevens wordt erkend dat de huidige jurisprudentie leidt tot onzekerheden en dat toekomstige gevallen mogelijk anders behandeld zullen worden, waarbij de economische eigendom en het aangaan van verplichtingen breder kunnen worden geïnterpreteerd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de desinvesteringsbijtelling over de volledige inbrengwaarde verschuldigd is.