ECLI:NL:HR:2000:AA7787

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 oktober 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
112916
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 101a RO
Verwijzingen
1 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor medeplegen opzettelijk handelen in strijd met Opiumwet

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod. Het Gerechtshof te Amsterdam had het vonnis van de Arrondissementsrechtbank vernietigd en verdachte veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf, terwijl hij op andere tenlasteleggingen was vrijgesproken.

Verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, maar richtte zich kennelijk niet tegen de vrijspraken. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen ambtshalve vernietiging van de uitspraak noodzakelijk was.

Het arrest werd gewezen door de vice-president en vier raadsheren, en het beroep werd verworpen. Hiermee blijft de veroordeling van verdachte voor medeplegen van een overtreding van de Opiumwet in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot één jaar gevangenisstraf blijft in stand.

Uitspraak

24 oktober 2000
Strafkamer
nr. 112916
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van
29 maart 1999 in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Argentinië) op [geboortedatum] 1947,
wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de
Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 26 januari 1998 - de verdachte
vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 en 6 tenlastegelegde
en hem voorts ter zake van “medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met
het in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld
tot één jaar gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
Het beroep - dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraken - is
ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.R. Kant, advocaat te
Krommenie, bij schriftuur midde-len van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan
dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het
beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO,
geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van
rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikke-ling.
4. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen
grond aanwezig oordeelt waarop de be-streden uitspraak ambtshalve, voorzover
aan zijn oordeel onderworpen, zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep
worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voor-zitter, en de
raadsheren F.H. Koster, A.M.M. Orie, A.M.J. van Buchem-Spapens en J.P.
Balkema, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 24 oktober
2000.