ECLI:NL:HR:2000:AA8463
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- F.H. Koster
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van opzetheling, overtreding van de Opiumwet en het in voorraad hebben van vervalste bankbiljetten. Het hof legde een gevangenisstraf van twaalf maanden op, waarvan vier voorwaardelijk.
De Hoge Raad oordeelde dat de behandeling van het cassatieberoep niet binnen een redelijke termijn had plaatsgevonden zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, omdat er ruim twaalf maanden verstreken waren tussen het instellen van het beroep en de ontvangst van de stukken bij de Hoge Raad. Hoewel dit overschrijden van de termijn in de regel leidt tot strafvermindering, achtte de Hoge Raad niet dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verminderde deze tot elf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen. Daarmee werd een balans gevonden tussen het belang van normhandhaving en het recht van de verdachte op een redelijke termijn.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 11 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.