ECLI:NL:HR:2000:AA9373

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 november 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00209/00
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 10 OpiumwetArt. 2 OpiumwetArt. 101a RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van drugsmisdrijven en deelname aan een criminele organisatie tot vijf jaar gevangenisstraf.

De Hoge Raad beoordeelde dat de behandeling van het cassatieberoep niet binnen een redelijke termijn had plaatsgevonden zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, omdat er ruim tien maanden verstreken waren tussen het instellen van het beroep en de ontvangst van de stukken bij de Hoge Raad zonder bijzondere omstandigheden.

Als gevolg hiervan oordeelde de Hoge Raad dat de straf verminderd moest worden. De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en stelde deze vast op vier jaar en negen maanden. Het beroep van de verdachte werd voor het overige verworpen en het voorwaardelijke beroep van de Procureur-Generaal bleef zonder gevolg.

De uitspraak werd gedaan door vijf raadsheren onder voorzitterschap van vice-president Bleichrodt op 14 november 2000.

Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot vier jaar en negen maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Uitspraak

14 november 2000
Strafkamer
nr. 00209/00
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het
Gerechtshof te Amsterdam van 8 maart 1999 alsmede tegen alle
op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de
strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Israël) op
[geboortedatum] 1958, wonende te [woonplaats], ten tijde van
de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring
“Demersluis” te Amsterdam.
1. De bestreden einduitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 16 december 1997 - de verdachte ter zake van 1. "medeplegen van: om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen dat feit te plegen, meermalen gepleegd", 2. "medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder A van de Opiumwet gegeven verbod” en 3. “deelneming aan een organisatie, die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf, met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.
2. Geding in cassatie
2.1. De beroepen zijn ingesteld door de verdachte en door de Procureur-Generaal bij het Hof.
Namens de verdachte heeft mr. A. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Procureur-Generaal bij het Hof heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. In die schriftuur heeft de Procureur-Generaal medegedeeld dat haar beroep geacht moet worden voorwaardelijk te zijn ingesteld, namelijk voor het geval de Hoge Raad het bestreden arrest zou vernietigen op het door de verdachte ingestelde beroep.
2.2. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend voor wat betreft de opgelegde straf, dat de Hoge Raad de straf zal verminderen en het door de verdachte ingestelde beroep voor het overige zal verwerpen alsmede dat de Hoge Raad het door de Procureur-Generaal bij het Hof ingestelde beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het eerste namens de verdachte voor-
gestelde middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede namens de verdachte voorgestelde middel
4.1. Het middel klaagt dat in de cassatiefase sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. Het middel betoogt dat dit dient te leiden tot strafvermindering.
4.2. Voorzover het middel steunt op de opvatting dat voor de beoordeling van de in cassatie op zijn redelijkheid te beoordelen termijn zelfstandige betekenis toekomt, niet alleen aan het tijdsverloop tussen het instellen van het cassatieberoep en de binnenkomst van de stukken bij de Hoge Raad, maar tevens aan dat tussen het instellen van het beroep en de datum waarop de zaak ter terechtzitting van de Hoge Raad voor de eerste maal is behandeld, vindt het geen steun in het recht.
4.3. De verdachte heeft op 8 maart 1999 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 27 januari 2000 bij de Hoge Raad binnengekomen.
In aanmerking genomen:
(a) dat tussen het tijdstip waarop het cassatieberoep is ingesteld en dat waarop de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen ruim tien maanden zijn verstreken en
(b) dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die dat tijdsverloop zouden kunnen rechtvaardigen,
moet worden geoordeeld dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
Het middel is dus in zoverre terecht voorgesteld. De
gegrondheid van het middel leidt tot het oordeel dat aan de verdachte een lagere straf behoort te worden opgelegd dan het Hof hem voordat sprake was van overschrijding van de termijn heeft opgelegd. De Hoge Raad zal, rekening houdende met de aan de verdachte opgelegde straf als hiervoor onder 1 is vermeld en met de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, de straf verminderen als hieronder vermeld.
5. Beoordeling van het door de Procureur-Generaal bij het Hof ingestelde beroep
5.1. Het beroep is door de Procureur-Generaal voorwaardelijk ingesteld. De Hoge Raad verstaat dat de door de Procureur-Generaal gestelde voorwaarde zoals hiervoor weergegeven onder 2.1, niet ziet op het geval dat de Hoge Raad het bestreden arrest vernietigt uitsluitend voor wat betreft de opgelegde straf op de grond dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.
5.2. De middelen van de Procureur-Generaal kunnen derhalve buiten beschouwing blijven.
6. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
Vermindert die straf in die zin dat deze beloopt vier jaar en negen maanden;
Verwerpt het beroep van de verdachte voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren
G.J.M. Corstens, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.P. Balkema en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 14 november 2000.