ECLI:NL:PHR:2000:AA9373
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over rechtmatigheid en proportionaliteit van infiltratie in drugsonderzoek
In deze zaak stond de inzet van infiltranten in een strafrechtelijk onderzoek naar voorbereidingshandelingen van geweldsdelicten en drugshandel centraal. Het Amsterdamse infiltratietraject richtte zich op een verdachte die betrokken zou zijn bij plannen tot geweld tegen een lid van het openbaar ministerie. Na toestemming van de Centrale Toetsingscommissie en het College van procureurs-generaal werd infiltratie ingezet om bewijs te verzamelen.
De verdediging voerde aan dat onvoldoende gegevens beschikbaar waren om de rechtmatigheid van de infiltratie te beoordelen, met name of de infiltratie alleen op de verdachte was gericht en of de inzet proportioneel en subsidiariteit was gewaarborgd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende feiten en omstandigheden had onderzocht en dat de inzet van infiltratie gerechtvaardigd was gezien de ernst van de feiten en het falen van andere opsporingsmiddelen.
Daarnaast werd geoordeeld over de opname van gesprekken tussen infiltranten en verdachten. Hoewel het opnemen van gesprekken een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer vormt, werd vastgesteld dat de wettelijke basis voor het gebruik van dergelijke opnamen onvoldoende was, waardoor deze opnamen niet als bewijs mochten worden gebruikt. Tot slot werd vastgesteld dat de redelijke termijn in de cassatiefase met ruim twee maanden was overschreden, wat aanleiding gaf tot strafvermindering.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigde de veroordeling, vernietigde het arrest alleen voor de strafoplegging en stelde een lagere straf vast wegens overschrijding van de redelijke termijn.