ECLI:NL:HR:2000:ZD1700

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 januari 2000
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
113.115
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Davids
  • raadsheer Aaftink
  • raadsheer Van Buchem-Spapens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 282 SrArt. 47 SrArt. 365 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand · 21 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen bij opzettelijke vrijheidsberoving

In deze zaak heeft het Hof in hoger beroep de verdachte veroordeeld voor medeplegen van opzettelijke vrijheidsberoving en meerdere gevallen van diefstal met geweld. De verdachte verbleef in de woning waar het slachtoffer tegen haar wil werd vastgehouden en was bewust betrokken bij het voortduren van de vrijheidsberoving.

De verdachte voerde in cassatie aan dat uit de bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat sprake was van medeplegen. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof op basis van de feiten, waaronder het verblijf van verdachte in de woning, zijn aanwezigheid in de woonkamer en het feit dat hij zich niet distantieerde van de gedragingen van anderen, terecht tot het oordeel kwam dat sprake was van medeplegen.

De Hoge Raad vond geen grond voor vernietiging van het arrest en verwierp het cassatieberoep. Dit bevestigt dat medeplegen kan worden aangenomen op basis van gedragingen die duiden op bewuste samenwerking en het voortduren van de strafbare situatie.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt medeplegen en verwerpt cassatieberoep, verdachte veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf.

Uitspraak

11 januari 2000
Strafkamer
nr. 113.115
AB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 18 januari 1999 in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, zonder bekende woon – of verblijfplaats hier te lande, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Oosterhoek" te Grave.
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Breda van 29 juni 1998 - de verdachte ter zake van 1. "medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden" en 3., 4. en 5. telkens opleverende: "diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf.
1.2. Het verkorte arrest, en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365
a, tweede lid, Sv, voorzover betrekking hebbende op het onder 1 bewezenverklaarde feit, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr G. Spong, advocaat te 's-Gravenhage, een schriftuur met een middel van cassatie ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3 . Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit sprake was van medeplegen.
3.2. Het Hof heeft een namens de verdachte gevoerd verweer, strekkende tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde feit, samengevat en verworpen, als is weergegeven op blz. 3 van het verkorte arrest.
3.3. Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat:
- de verdachte in de woning verbleef waar het slachtoffer, naar verdachte wist tegen haar wil, werd vastgehouden;
- de verdachte, die ervan uit ging dat er steeds iemand bij het slachtoffer in de buurt moest blijven, steeds in de woonkamer was en dat het slachtoffer ook in de woonkamer heeft gezeten en
- de verdachte, toen twee medeverdachten de woning hadden verlaten, samen met twee anderen in de woning achterbleef, terwijl het slachtoffer vastgebonden in de slaapkamer op het bed lag.
3.4. Op grond van het vorenoverwogene en in aanmerking genomen dat de verdachte zich niet heeft gedistantieerd van de gedragingen van de anderen, is 's Hofs, niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gevende, oordeel dat de verdachte aldus heeft bijgedragen en met zijn mededaders bewust heeft samengewerkt aan het doen voortduren van de vrijheidsberoving, waardoor gesproken moet worden van medeplegen, niet onbegrijpelijk. Voor een verdergaande toetsing is in cassatie geen plaats.
3.5. Het middel faalt dus.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Davids als voorzitter, en de raadsheren Aaftink en Van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend griffier Hennekam, en uitgesproken op
11 januari 2000.