ECLI:NL:HR:2001:AB0241

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 januari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
1300
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.G. Pos
  • D.H. Beukenhorst
  • L. Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep cassatie tegen onteigeningsvonnis Gemeente Amsterdam

De Gemeente Amsterdam heeft Groenpol B.V. gedagvaard voor de rechtbank met het verzoek tot vervroegde onteigening van een gedeelte van een perceel waarvan Groenpol B.V. erfpachter is, ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling en volkshuisvesting. De rechtbank heeft op 3 mei 2000 de onteigening uitgesproken, een voorschot op schadeloosstelling van 990.000 gulden vastgesteld en deskundigen en een rechter-commissaris benoemd.

Groenpol B.V. heeft tegen dit vonnis cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Na schriftelijke toelichting van partijen en een conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping, heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen. De Hoge Raad achtte nadere motivering niet nodig omdat het middel geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte.

De Hoge Raad veroordeelde Groenpol B.V. tevens in de kosten van het geding in cassatie, begroot op 632,20 gulden aan verschotten en 3.000 gulden aan salaris. Het arrest is uitgesproken op 3 januari 2001 door raadsheren Pos, Beukenhorst en Monné.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Groenpol B.V. wordt verworpen en de onteigening en schadeloosstelling van de rechtbank blijven in stand.

Uitspraak

Nr. 1300
3 januari 2001
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Groenpol B.V., gevestigd te Amsterdam,
eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. H.A. Groen,
tegen
de Gemeente Amsterdam, zetelende te Amsterdam,
verweerster in cassatie,
advocaat: mr. J.C. van Oven.
1. Geding in feitelijke instantie
1.1. De Gemeente Amsterdam heeft - voorzover in cassatie van belang - bij exploit van 1 maart 2000 eiseres tot cassatie (hierna: Groenpol B.V.) doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam en in het belang van de ruimtelijke ontwikkeling en van de volkshuisvesting gevorderd de vervroegd uit te spreken onteigening ten behoeve van de Gemeente van de in dat exploit nader omschreven onroerende zaak, zijnde een gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente Amsterdam, sectie K, nummer 6146, waarvan Groenpol B.V. is aangewezen als erfpachter, bepaling van een voorschot op de schadeloosstelling en benoeming van deskundigen en een rechter-commissaris.
1.2. Bij vonnis van 3 mei 2000 heeft de Rechtbank de gevorderde onteigening uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling voor Groenpol B.V. bepaald op f 990.000,--, en drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd. Het vonnis is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
2.1. Groenpol B.V. heeft het vonnis van 3 mei 2000 met een middel van cassatie bestreden. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.3. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten.
2.4. De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op 18 oktober 2000 geconcludeerd tot verwerping van het beroep in cassatie.
3. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep, en
- veroordeelt Groenpol B.V. in de kosten van het geding in cassatie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente gevallen, begroot op f 632,20,-- aan verschotten en op f 3.000,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren D.H. Beukenhorst en L. Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 januari 2001.