ECLI:NL:HR:2001:AB0285
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing landbouwvrijstelling bij verkoop landbouwgrond met bouwbestemming
Belanghebbende, exploitant van een landbouwbedrijf, verkocht in 1994 een perceel landbouwgrond van 12,83,10 hectare aan de gemeente Q, waarbij een deel van 8,83,10 hectare jaarlijks werd beoordeeld op voortgezet agrarisch gebruik. De gemeente kocht het perceel met het oog op woningbouw.
De Inspecteur stelde een aanslag inkomstenbelasting vast over het voordeel uit de verkoop, waarbij de landbouwvrijstelling werd geweigerd voor het deel van 8,83,10 hectare. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, stellende dat er een redelijke kans bestond dat het perceel binnen zes jaar niet agrarisch gebruikt zou worden.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte geen rekening hield met een brief van Gedeputeerde Staten over een mogelijke neerwaartse bijstelling van bouwvolumes. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof deze brief wel degelijk had betrokken en dat het oordeel over de bouwplannen en het gebruik van het perceel een waardering van bewijsmiddelen betrof die niet in cassatie kan worden herzien.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de landbouwvrijstelling niet van toepassing is op het voordeel uit de verkoop van landbouwgrond die binnen zes jaar buiten agrarische bestemming wordt gebruikt.