Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2001:AB0638

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 maart 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36121
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • G.J. Zuurmond
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 AWRArt. 19 lid 4 Uitvoeringsregeling Belastingdienst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtsgeldigheid van aanslagbiljet inkomstenbelasting 1994

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd met een belastbaar inkomen van ¦ 784.886. Na bezwaar werd de aanslag gehandhaafd door de Inspecteur. Belanghebbende ging in beroep bij het Gerechtshof Amsterdam, dat het beroep ongegrond verklaarde en de aanslag bevestigde.

Belanghebbende stelde in cassatie dat de aanslag niet rechtsgeldig was omdat het aanslagbiljet niet vermeldde welke ambtenaar of welk hoofd van de eenheid de aanslag had vastgesteld, zoals vereist volgens artikel 19 lid 4 van Pro de Uitvoeringsregeling Belastingdienst. Volgens hem kon daardoor niet worden vastgesteld of het aanslagbiljet was opgelegd door een bevoegd bestuursorgaan.

De Hoge Raad oordeelde dat het ontbreken van de vermelding van de eenheid die de aanslag heeft vastgesteld niet verhindert dat het biljet als aanslagbiljet in de zin van artikel 5 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt aangemerkt. Het Hof had bovendien vastgesteld dat de aanslag was vastgesteld door een ambtenaar van de eenheid Particulieren/Ondernemingen P. Verder vereist artikel 5 AWR Pro niet dat uit het aanslagbiljet kan worden afgeleid of degene die de aanslag heeft vastgesteld daartoe schriftelijk was gemachtigd conform artikel 19 lid 4 van Pro de Uitvoeringsregeling Belastingdienst.

De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en verklaarde het beroep ongegrond. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 1994 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

Nr. 36121
21 maart 2001
YS
gewezen op het beroep in cassatie van X tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam, van 13 maart 2001 nr. P99/01648, betreffende na te melden aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ¦ 784.886, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel strekt ten betoge dat de aanslag niet rechtsgeldig is opgelegd nu door het ontbreken van de vermelding op het aanslagbiljet van de ambtenaar die, respectievelijk het hoofd van de eenheid dat de aanslag heeft vastgesteld, niet kan worden beoordeeld of de aanslag is opgelegd door een bevoegd bestuursorgaan dan wel door een inspecteur die daartoe schriftelijk gemachtigd is conform artikel 19, lid 4, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst.
3.2. In hetgeen het Hof in onderdeel 5.1.2 van zijn uitspraak heeft overwogen ligt besloten het oordeel dat het ontbreken van de gebruikelijke vermelding van de eenheid door welke de aanslag is vastgesteld, er niet aan in de weg staat het onderhavige biljet aan te merken als een aanslagbiljet in de zin van artikel 5 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen(hierna: de AWR). Dit oordeel is juist.
3.3. Het Hof heeft voorts - in cassatie niet bestreden - geoordeeld dat ervan moet worden uitgegaan dat de aanslag is vastgesteld door een ambtenaar werkzaam op de eenheid Particulieren/Ondernemingen P. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat artikel 5 van Pro de AWR niet vereist dat aan de hand van het aanslagbiljet kan worden nagegaan of degene die de aanslag heeft geregeld daartoe overeenkomstig artikel 19, lid 4, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst schriftelijk is aangewezen door het hoofd van de eenheid. Ook laatstgenoemd oordeel is juist.
Het middel faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2001.