ECLI:NL:HR:2001:AB0699
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- J.B. Fleers
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtsverhouding en zekerheidsrechten tussen Ofasec en banken in DAF-obligatielening
In deze zaak staat centraal de verdeling van zekerheidsrechten die zijn verstrekt in het kader van een obligatielening van DAF B.V. en haar dochtermaatschappijen. De obligatielening werd uitgegeven in 1988 en gefinancierd door een syndicaat van banken. Om de zekerheden te beheren werd in 1992 de stichting Ofasec opgericht, die de zekerheden zou te gelde maken en de opbrengst zou verdelen volgens vastgestelde administratievoorwaarden.
Na surseance van betaling en faillissement van DAF en haar dochtermaatschappijen ontstond een geschil over de rechten van obligatiehouders en banken ten aanzien van de opbrengst van de zekerheden. NTM, namens de obligatiehouders, vorderde dat zij naar rato gerechtigd waren op de opbrengst van de zekerheden verstrekt door de dochtermaatschappijen. Ofasec stelde zich op het standpunt dat de rechten van de banken proportioneel moesten worden verminderd indien NTM rechten kreeg toegekend.
De rechtbank wees de vorderingen van NTM en de vrijwaringsvorderingen van Ofasec af. Het Hof Amsterdam oordeelde echter in hoger beroep dat de vorderingen van NTM grotendeels toewijsbaar waren en gaf een voorlopig oordeel dat de vorderingen van Ofasec tegen de banken in vrijwaring toegewezen zouden worden. De Hoge Raad vernietigt dit arrest voor zover het de vrijwaringszaak betreft en verwijst de zaak naar het Hof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing. Tevens veroordeelt de Hoge Raad Ofasec in de kosten van het cassatieproces.
Uitkomst: Het arrest van het Hof Amsterdam wordt vernietigd voor zover het de vrijwaringszaak betreft en de zaak wordt verwezen naar het Hof Den Haag voor verdere behandeling.