ECLI:NL:HR:2001:AB1597
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- B.C. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad beslist over consignatieplicht bij cassatieberoep tegen dwangbevel
De veroordeelde was bij onherroepelijk vonnis van de Politierechter verplicht tot betaling van een geldsom aan de staat ten behoeve van het slachtoffer. Het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) vaardigde een dwangbevel uit voor de tenuitvoerlegging hiervan, waarop de veroordeelde verzet instelde bij de Rechtbank. Dit verzet werd niet-ontvankelijk verklaard. De veroordeelde stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing.
Volgens artikel 575, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is de veroordeelde in cassatie slechts ontvankelijk indien hij vooraf het nog verschuldigde bedrag en de kosten consigneren bij de griffie van het bevoegde gerecht. De Griffier van de Rechtbank stelde de veroordeelde in de gelegenheid dit te doen, waarbij een bedrag van f. 993,59 werd genoemd, inclusief incassokosten en deurwaarderskosten.
De Hoge Raad oordeelde dat het dwangbevel ten onrechte ook buitengerechtelijke incassokosten en deurwaarderskosten omvatte, welke niet in aanmerking mogen worden genomen bij de consignatieplicht. Daarom stelde de Hoge Raad de veroordeelde alsnog in de gelegenheid om binnen drie weken een bedrag van f. 778,68 te consigneren, waarna verdere beslissing wordt aangehouden.
De beschikking werd gegeven door de vice-president en twee raadsheren in raadkamer en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 15 mei 2001.
Uitkomst: Veroordeelde wordt alsnog in de gelegenheid gesteld het juiste bedrag te consigneren, verdere beslissing wordt aangehouden.