ECLI:NL:HR:2001:AB2374
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- W.H. Heemskerk
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Vaststelling omgangsregeling en taak Raad voor de Kinderbescherming in familierechtelijke procedure
In deze zaak verzocht de vader bij de rechtbank een omgangsregeling met zijn minderjarige kinderen vast te stellen en subsidiair het gezag over de kinderen aan hem toe te wijzen. De rechtbank stelde een voorlopige omgangsregeling vast en droeg de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) op om de uitvoering daarvan te bevorderen. De moeder bestreed dit en stelde hoger beroep in tegen de beschikking.
Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank en stelde een andere omgangsregeling vast, waarbij het de RvdK opdroeg de omgang actief te begeleiden. De RvdK stelde cassatie in tegen dit laatste onderdeel van het hofarrest. De Hoge Raad oordeelde dat de wet de RvdK geen taak toekent om een rechterlijk vastgestelde omgangsregeling te begeleiden, noch dat de rechter die taak aan de RvdK kan opleggen.
De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest en verwees de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling. De uitspraak benadrukt de wettelijke taakafbakening van de RvdK en de grenzen van rechterlijke bevoegdheden in omgangsregelingen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest dat de Raad voor de Kinderbescherming opdroeg de omgangsregeling te begeleiden en verwijst de zaak terug.