ECLI:NL:PHR:2001:AB2374
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging beschikking hof inzake omgangsregeling en gezagswijziging
De zaak betreft een verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling met zijn kinderen, ingediend bij de rechtbank te Leeuwarden op 19 oktober 1999. De rechtbank stelde op 15 december 1999 een voorlopige omgangsregeling vast met geleidelijke uitbreiding, onder begeleiding van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). De vader vorderde vervolgens in kort geding nakoming van deze regeling, wat door de president werd afgewezen.
De moeder ging in hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank, stellende dat omgang niet in het belang van de kinderen zou zijn. Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank bij uitspraak van 28 juni 2000, maar gaf een soortgelijke opdracht aan de RvdK, zij het voor een latere periode. De RvdK stelde beroep in cassatie in tegen het hofarrest, waarbij de Procureur-Generaal de ontvankelijkheid van de RvdK in cassatie bevestigde.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dat het hofarrest van 28 juni 2000 moet worden vernietigd. De zaak wordt verwezen naar een ander hof, en verwijzing van deze zaak lijkt niet nodig als de hoofdzaak wordt verwezen. De conclusie strekt tot vernietiging van het hofarrest, zonder dat de Hoge Raad zelf inhoudelijk op de omgangsregeling of gezagswijziging ingaat.
Uitkomst: Het hofarrest van 28 juni 2000 wordt vernietigd en de zaak verwezen naar een ander hof.