ECLI:NL:HR:2001:AB2549
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- C.H.M. Jansen
- J.B. Fleers
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Voorlopige toewijzing ouderlijk gezag aan vader in kort geding
De vader en moeder oefenden gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over hun kind, geboren in 1996. Na een verzoek van de vader tot wijziging van het gezag in zijn voordeel, ontstond een conflict over de verblijfplaats van het kind. De moeder hield het kind na een bezoek in maart 1999 voor de vader verborgen.
De president van de rechtbank veroordeelde de moeder om het kind aan de vader af te geven en stelde de vader voorlopig belast met het gezag. Het hof vernietigde deze toewijzing van het gezag bij uitsluiting, maar bepaalde dat het kind voorlopig aan de vader wordt toevertrouwd totdat in de bodemprocedure definitief over het gezag is beslist.
De moeder stelde cassatieberoep in, maar de Hoge Raad verklaarde haar niet-ontvankelijk omdat de bodemprocedure inmiddels was afgerond met een eindbeschikking die het gezag aan de vader toekende. De Hoge Raad bevestigde dat de president van de rechtbank bevoegd is voorlopige voorzieningen te treffen in gezagszaken op grond van art. 289 Rv Pro en dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had door het voorlopig toevertrouwen van het kind aan de vader toe te staan.
De kosten van het cassatiegeding werden ieder door partijen zelf gedragen.
Uitkomst: De moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep tegen de voorlopige toewijzing van het kind aan de vader.