ECLI:NL:HR:2001:AB2776
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J. Zuurmond
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt belastingheffing over imagerechten en prestatievergoedingen
Belanghebbende had in 1987 aan J Limited het recht verleend om zijn imagerechten binnen de Europese Gemeenschap te exploiteren, en in 1991 sloot hij een overeenkomst met L SPA voor wereldwijde exploitatie en aanvullende prestatieverplichtingen. De kern van het geschil betrof de vraag of betalingen door L direct aan belanghebbende toekwamen of via J Limited werden genoten.
Het Hof oordeelde dat het contract met L een driepartijenovereenkomst was waarbij L een sublicentie van J had en belanghebbende daarnaast verplicht was tot medewerking aan promotieactiviteiten. Het Hof stelde vast dat de prestaties van belanghebbende niet ondergeschikt waren aan het exploitatierecht aan J en dat betalingen door L deels direct aan belanghebbende toekwamen, ook al werden ze aan J betaald.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de cassatiemiddelen die stelden dat na overdracht van exploitatierechten geen verdere inkomsten konden worden genoten. De Hoge Raad vond dat het Hof de overeenkomst juist had uitgelegd en dat de prestatievergoedingen terecht als direct genoten inkomen werden aangemerkt.
De Hoge Raad wees ook het middel af dat stelde dat belanghebbende tijdens wedstrijden geen kleding van L droeg, omdat het Hof zijn oordeel baseerde op overeengekomen prestaties buiten het exploitatierecht van J. Ten slotte oordeelde de Hoge Raad dat het deel van de vergoeding dat betrekking had op de arbeid of diensten van belanghebbende 90% bedroeg, een feitelijke en gemotiveerde vaststelling.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt het oordeel van het Hof dat de betalingen door L als direct genoten inkomen van belanghebbende gelden.