ECLI:NL:HR:2001:AB3105

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 oktober 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C99/366HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.H.M. Jansen
  • J.B. Fleers
  • A.G. Pos
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a ROFaillissementswet art. 37Wet op de rechterlijke organisatie art. 101a
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding aannemingsovereenkomst en veroordeling tot betaling door Hoge Raad

In deze zaak gaat het om een geschil tussen eiser en verweerder omtrent een aannemingsovereenkomst gesloten op of omstreeks 30 december 1986. Na eerdere procedures vernietigde de Hoge Raad in 1996 een arrest van het gerechtshof en verwees de zaak voor verdere behandeling naar het hof te Arnhem.

Het hof vernietigde vervolgens het vonnis van de rechtbank Maastricht uit 1988 en ontbond de aannemingsovereenkomst. Tevens werd eiser veroordeeld tot betaling van ƒ 370.000,-- vermeerderd met wettelijke rente vanaf 9 oktober 1991 aan verweerder. Tegen deze uitspraken stelde eiser cassatieberoep in, terwijl verweerder niet verscheen en verstek werd verleend.

De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie en dat nadere motivering niet nodig is omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling spelen. Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontbinding van de aannemingsovereenkomst met veroordeling tot betaling blijft in stand.

Uitspraak

19 oktober 2001
Eerste Kamer
Nr. C99/366HR
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli,
t e g e n
[Verweerder], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in voorgaande instanties
De Hoge Raad verwijst voor het verloop van dit geding tussen eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - en verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - naar zijn arrest van 29 november 1996, nr. 16108, NJ 1998, 17.
Bij dat arrest heeft de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 24 mei 1995 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het Gerechtshof te Arnhem.
Na een ingevolge een tussenarrest van het Hof van 19 mei 1998 op 22 september 1998 gehouden comparitie van partijen heeft het Hof bij tussenarrest van 3 augustus 1999, rechtdoende in hoger beroep, het tussen partijen in conventie gewezen vonnis van de Rechtbank te Maastricht van 1 december 1988 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de tussen partijen op of omstreeks 30 december 1986 gesloten aannemingsovereenkomst ontbonden en [eiser] veroordeeld om aan [verweerder] te voldoen het bedrag van ƒ 370.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 oktober 1991. Bij laatstgenoemd tussenarrest heeft het Hof voorts, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, de zaak naar de rol verwezen voor uitlating als vermeld in rov. 2.9 van dat arrest.
Beide arresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het Hof van 19 mei 1998 en 3 augustus 1999 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het beroep met veroordeling van [eiser] in de kosten.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, J.B. Fleers en A.G. Pos, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 19 oktober 2001.