ECLI:NL:HR:2001:AD3955

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 december 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/056HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.H.M. Jansen
  • J.B. Fleers
  • P.C. Kop
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a RvArt. 677 RvArt. 3:181 BW
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot verdeling en verantwoording van vennootschap onder firma afgewezen in cassatie

Eiser heeft verweerster gedagvaard voor de rechtbank met het verzoek om de verdeling van het vermogen van de vennootschap onder firma "[A] B.V. i.o." te gelasten, de benoeming van een notaris en accountant te bevelen, en verweerster te veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording over het gevoerde beheer, alsmede tot betaling van een geldsom met incassokosten en rente.

Verweerster heeft de vordering bestreden en in reconventie een tegenvordering ingesteld tot betaling van een bedrag en het afleggen van rekening over het beheer na ontbinding van de vennootschap. De rechtbank benoemde een deskundige voor onderzoek en het hof bekrachtigde het tussenvonnis en verwees de zaak terug voor verdere behandeling.

Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof, maar de Hoge Raad verwierp het beroep zonder nadere motivering, omdat de klachten niet leidden tot rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Tevens werd eiser veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof.

Uitspraak

7 december 2001
Eerste Kamer
Nr. C00/056HR
MP
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt,
t e g e n
[Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 9 februari 1998 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - op verkorte termijn gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en - zakelijk weergegeven - gevorderd:
a. te gelasten de verdeling van het vermogen van de tussen partijen bestaan hebbende vennootschap onder firma "[A] B.V. i.o.";
b. voor zover de Rechtbank de verdeling niet aan zich houdt: de benoeming van een notaris die zich met de verdeling belast;
c. en van een accountant die de notaris daarbij bijstaat;
d. en van een onzijdig persoon als bedoeld in artikel 677 Rv Pro. en artikel 3:181 BW Pro;
en voorts om [verweerster] te veroordelen:
e. tot het doen van rekening en verantwoording van het door haar gevoerde beheer over de vennootschap onder firma, vaststelling van het saldo en betaling aan [eiser] van het hem toekomende:
f. met benoeming van een rechter-commissaris en/of notaris ten overstaan van wie [verweerster] rekening zal doen;
g. tot betaling aan [eiser] van ƒ 1.377.500,-- vermeerderd met ƒ 45.485,-- buitengerechtelijke incassokosten en met wettelijke rente vanaf 31 januari 1998;
h. mee te werken aan eerdergenoemde scheiding en deling op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 10.000,-- voor iedere dag dat deze medewerking uitblijft.
[Verweerster] heeft de vordering bestreden en harerzijds in reconventie gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling van ƒ 148.634,-- met rente en kosten en tot het afleggen van rekening en verantwoording over het na ontbinding van de v.o.f. tussen 22 april 1996 en 11 augustus 1996 door [eiser] gevoerde beheer.
[Eiser] heeft de vordering in reconventie bestreden.
De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 16 oktober 1998, in conventie en in reconventie, een deskundige benoemd met opdracht om een onderzoek in te stellen naar of omtrent de in rov. 5.8.3 en 6.2 van haar vonnis geformuleerde vragen en daarvan een schriftelijk en met redenen omkleed bericht in te leveren.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 27 oktober 1999 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd, met verwijzing van de zaak naar de Rechtbank te 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op ƒ 9.507,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, J.B. Fleers en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 7 december 2001.