ECLI:NL:HR:2001:AD3998

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 december 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R00/060HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • A.G. Pos
  • O. de Savornin Lohman
  • P.C. Kop
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 lid 1 (oud) ABW
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt terugvordering kosten bijstand door gemeente

De zaak betreft een verzoek van de Gemeente 's-Gravenhage tot terugvordering van kosten van bijstand die aan verzoeker zijn verleend over de periode van 1 januari 1989 tot 1 juli 1991. De Kantonrechter bepaalde in 1996 dat de Gemeente een bedrag van ƒ 42.442,41 van verzoeker kon terugvorderen. Deze beschikking werd door de Rechtbank bekrachtigd.

Verzoeker stelde in hoger beroep en vervolgens in cassatie onder meer dat de Commissie Sociale Zekerheid van de Gemeente niet bevoegd was tot het nemen van het terugvorderingsbesluit en dat de rechtbank ten onrechte geen toepassing had gegeven aan artikel 64 lid 1 van Pro de oude Algemene Bijstandswet (ABW) door geen maandelijkse betalingsregeling vast te stellen. De Hoge Raad verwierp deze middelen.

De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat er onvoldoende en actuele gegevens waren over de financiële situatie van verzoeker om een maandelijkse betalingsregeling vast te stellen. Dit oordeel was niet onbegrijpelijk of onjuist gemotiveerd. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de terugvordering van ƒ 42.442,41 door de gemeente zonder maandelijkse betalingsregeling.

Uitspraak

7 december 2001
Eerste Kamer
Rek.nr. R00/060HR
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
DE GEMEENTE 'S-GRAVENHAGE, zetelende te 's-Gravenhage,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. K.T.B. Salomons.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 6 december 1994 ter griffie van het Kantongerecht te 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot de Kantonrechter aldaar en verzocht te bepalen dat:
1. de Gemeente een bedrag van ƒ 88.443,18 kan terugvorderen van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - en van [betrokkene A];
2. de Gemeente maandelijks een bedrag van ƒ 500,-- kan invorderen van [verzoeker] en een bedrag van ƒ 500,-- van [betrokkene A], waarbij de een zal zijn gekweten voor de bedragen die door de ander op de gezamenlijke schuld afgelost zijn, totdat genoemd bedrag zal zijn voldaan;
3. beslag gelegd kan worden onder derden die gelden verschuldigd zijn of worden aan [verzoeker] en [betrokkene A] indien zij niet overgaan tot vrijwillige aflossing;
4. bij uitblijven van geregeld betalingen het saldo van de vordering terstond en ineens opeisbaar zal zijn.
Nadat de Kantonrechter bij tussenbeschikking van 31 januari 1995 een mondelinge behandeling had gelast, hebben [betrokkene A] en [verzoeker] het verzoek afzonderlijk bestreden. De Kantonrechter heeft bij beschikking van 9 januari 1996 bepaald dat de Gemeente van [verzoeker] kan terug vorderen een bedrag van ƒ 42.442,42 en het anders of meer gevorderde afgewezen.
Tegen deze beschikkingen heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te 's-Gravenhage.
Bij beschikking van 13 maart 2000 heeft de Rechtbank de bestreden beschikkingen bekrachtigd.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 Het gaat in deze zaak om de terugvordering in rechte door de Gemeente van kosten van bijstand, verleend aan [verzoeker] over de periode 1 januari 1989 tot 1 juli 1991. Naar aanleiding van het daartoe strekkende verzoek van de Gemeente heeft de Kantonrechter bij beschikking van 9 januari 1996 bepaald dat de Gemeente een bedrag van ƒ 42.442,41, kan terugvorderen van [verzoeker]. De Rechtbank heeft deze beschikking bekrachtigd.
3.2 Het eerste middel stelt aan de orde de vraag of de Commissie Sociale Zekerheid van de Gemeente bevoegd was tot het nemen van het aan het door de Gemeente op 6 december 1994 ingediende verzoekschrift ten grondslag liggende besluit tot terugvordering in rechte. Het middel faalt op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer onder 2.1 tot en met 2.5.
3.3.1 Het tweede middel bevat in onderdeel 5.3 de klacht dat de Rechtbank ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 64 (oud) ABW door geen bedrag vast te stellen dat geregeld (maandelijks) door [verzoeker] aan de Gemeente zou moeten worden betaald, althans dat de door de Rechtbank gegeven motivering onbegrijpelijk is.
3.3.2 Art. 64 lid Pro 1 (oud) ABW, dat ingevolge art. X van de Wet van 15 april 1992, Stb. 193, ten tijde van de indiening van het inleidend verzoekschrift nog gold, luidde:
'Indien het verhaal gemaakte kosten betreft, stelt de kantonrechter het bedrag vast dat, tot een aangegeven totaalsom, geregeld aan het verhalend lichaam zal worden voldaan. Hij kan een bedrag vaststellen dat terstond door het verhalend lichaam kan worden ingevorderd'.
3.3.3 De Rechtbank heeft naar aanleiding van het beroep van [verzoeker] op art. 64 (oud) ABW in rov. 3.10 overwogen, voor zover voor de beoordeling van het onderdeel van belang, dat zij niet beschikt 'over voldoende en actuele gegevens met betrekking tot de financiële situatie van [verzoeker], zodat aan de Gemeente kan worden overgelaten een maandelijks bedrag tot terugvordering vast te stellen'.
3.3.4 De Rechtbank heeft aldus in zoverre toepassing gegeven aan art. 64 lid Pro 1 (oud) ABW dat zij de vraag onder ogen heeft gezien of een bedrag kon worden vastgesteld dat [verzoeker] maandelijks aan de Gemeente zou dienen te betalen, doch heeft geoordeeld dat die vraag bij gebreke van voldoende gegevens ontkennend moet worden beantwoord. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting van art. 64 lid Pro 1 (oud) ABW en is noch onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd.
3.3.5 Uit het voorafgaande volgt dat het middel (de onderdelen 5.1 en 5.2 bevatten geen klachten) niet tot cassatie kan leiden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 7 december 2001.