ECLI:NL:HR:2001:AD5363

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R01/069HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.H.M. Jansen
  • A.G. Pos
  • P.C. Kop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a ROFaillissementswet
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toepassing schuldsaneringsregeling na niet-ontvankelijkheid hoger beroep

Verzoekster heeft bij de Rechtbank te Amsterdam een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank wees dit verzoek bij vonnis van 10 april 2001 af. Hiertegen stelde verzoekster hoger beroep in bij het Gerechtshof te Amsterdam, dat haar echter bij arrest van 22 mei 2001 niet-ontvankelijk verklaarde.

Verzoekster wendde zich vervolgens tot de Hoge Raad met een beroep in cassatie tegen het arrest van het hof. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was vanwege het ontbreken van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en bevestigde daarmee de eerdere beslissingen van rechtbank en hof, waarmee het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling definitief werd afgewezen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling definitief afgewezen.

Uitspraak

21 december 2001
Eerste Kamer
Rek.nr. R01/069HR
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoekster], wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 7 maart 2001 gedateerd verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: [verzoekster] - zich gewend tot de Rechtbank te Amsterdam en verzocht toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 10 april 2001 het verzoek afgewezen.
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Het Hof heeft bij arrest van 22 mei 2001 [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 21 december 2001.