ECLI:NL:HR:2001:AD7141

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 december 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36470
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • L. Monné
  • A.R. Leemreis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 lid 5 Wet op de vermogensbelasting 1964Art. 51 lid 1 Wet op de inkomstenbelasting 1964
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt handhaving aanslag inkomstenbelasting 1993 ondanks bezwaar belanghebbende

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd van nihil, met verrekening van voorheffingen. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat de uitspraak van de Inspecteur bevestigde. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De klacht van belanghebbende was dat het Hof ten onrechte de uitspraak van de Inspecteur had bevestigd, terwijl volgens hem het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. De Hoge Raad oordeelde dat deze klacht faalt. De handhaving van de aanslag van nihil betekent slechts dat het bedrag van de verschuldigde belasting vaststaat, maar niet dat het belastbare inkomen over 1993 definitief is vastgesteld.

De Hoge Raad verduidelijkte dat de hoogte van het belastbare inkomen nog kan worden betwist via bezwaar tegen beschikkingen op grond van de Wet op de vermogensbelasting 1964 of de Wet op de inkomstenbelasting 1964, bijvoorbeeld in verband met verliescompensatie. De Hoge Raad zag geen reden om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 1993 van nihil blijft gehandhaafd.

Uitspraak

Nr. 36.470
14 december 2001
JV
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 10 juli 2000, nr. 99/1044, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd van nihil, met verrekening van voorheffingen, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klacht
3.1. Belanghebbende klaagt dat het Hof de uitspraak van de Inspecteur, waarbij deze belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag van nihil in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1993 ongegrond heeft verklaard, heeft bevestigd. Belanghebbende is van mening dat de uitspraak vernietigd had moeten worden, omdat de Inspecteur belanghebbendes bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
3.2. Belanghebbendes klacht faalt. Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur, waarbij de aan belanghebbende opgelegde aanslag van nihil is gehandhaafd, terecht bevestigd (HR 23 augustus 1989, nr. 25516, BNB 1990/2, en HR 6 oktober 1999, nr. 34831, BNB 1999/401). Anders dan belanghebbende kennelijk meent, staat door de handhaving van de aanslag slechts het bedrag van de verschuldigde belasting vast, maar niet de hoogte van het belastbare inkomen over 1993. De hoogte van dat belastbare inkomen kan aan de orde worden gesteld bij bezwaar tegen een eventuele beschikking op de voet van artikel 14, lid 5, van de Wet op de vermogensbelasting 1964 respectievelijk tegen een eventuele beschikking op de voet van artikel 51, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in verband met achterwaartse verliescompensatie respectievelijk tegen aan belanghebbende opgelegde of op te leggen aanslagen over jaren na 1993 in verband met voorwaartse verliescompensatie.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2001.