ECLI:NL:HR:2001:ZC3546
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- R. Herrmann
- C.H.M. Jansen
- H.A.M. Aaftink
- P.C. Kop
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toestemming curator voor onderhandse verkoop in faillissement ondanks hoger bod derde
In deze zaak werd het faillissement van [A] B.V. uitgesproken, waarbij een bedrijfsterrein met opstallen tot de boedel behoorde. De curator ontving meerdere biedingen, waaronder van Mayr-Melnhof en [verweerster 2], waarbij het hoogste initiële bod van [verweerster 2] was. De curator onderhandelde exclusief met deze partij en verkocht het onroerend goed voor ƒ 9.100.000,-- onder voorbehoud van toestemming van de rechter-commissaris.
Mayr-Melnhof verzocht de rechter-commissaris om toestemming te onthouden, stellende dat zij bereid was een hoger bod uit te brengen. De rechter-commissaris en de rechtbank wezen dit verzoek af, oordelend dat de curator het belang van de boedel bij de hoogste opbrengst niet uit het oog had verloren en dat Mayr-Melnhof als derde buiten de onderhandelingen stond.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het beleid waarbij curatoren zonder voorafgaande toestemming mogen onderhandelen, niet in strijd is met de faillissementswet. Tevens is het in het belang van een ordentelijke afwikkeling van faillissementen dat eenmaal gesloten onderhandelingen niet opengebroken worden door latere hogere biedingen van derden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van Mayr-Melnhof en bevestigde de kostenveroordeling. Hiermee is bevestigd dat de curator met toestemming van de rechter-commissaris mag overgaan tot onderhandse verkoop, ook als een derde later een hoger bod doet.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de toestemming voor onderhandse verkoop door de curator.