Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
recht van partijen om kennis te nemen van, en zich te kunnen uitlaten over, alle gegevens en bescheiden die in het geding zijn gebracht en zijn bedoeld om in de oordeelsvorming van de rechter te worden betrokken. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM is de grondslag van dit recht mede het vertrouwen dat rechtzoekenden dienen te kunnen stellen in het goed functioneren van de rechtspraak (vgl. onder meer EHRM 26 juli 2011, no. 58222/09 (
Juricic), § 75, en EHRM 18 februari 1997, no. 18990/91,
LJNAD2686,
NJ1997/590, § 29).
in beginsel niet van belang is of – en zo ja, in welke mate – gegevens en bescheiden waarvan partijen geen kennis hebben genomen, al dan niet nieuwe feiten of argumenten behelzen dan wel daadwerkelijk van invloed zijn (geweest) op de beslissing van de rechter. Gelet op voormeld uitgangspunt is het immers niet aan de rechter, maar aan partijen om te beoordelen of de desbetreffende gegevens of bescheiden nopen tot een reactie. Dit is anders indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan in redelijkheid niet kan worden gezegd dat zij van enig belang kunnen zijn voor de beoordeling van de zaak, (...)”
onderdeel I.1.1bestonden de steunvorderingen ten tijde van de uitspraak nog wel, omdat voorwaarde voor voldoening uit het bedrag dat op de derdengeldenrekening van [verweerder] advocaat stond juist was dat het faillissement in appel zou worden vernietigd. Althans is volgens de motiveringsklacht van
onderdeel I.1.2niet afdoende gemotiveerd waarom dan niet meer aan het pluraliteitsvereiste zou zijn voldaan.
onderdeel I.2.1is dat voor zover het hof in rov. 7 heeft geoordeeld dat niet langer sprake is van een toestand van te hebben opgehouden te betalen, dit onjuist is. Dat wordt gevolgd door de motiveringsklacht uit
onderdeel I.2.2dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt waarom niet langer van bedoelde toestand sprake zou zijn.
.Er is dus geen plaats voor faillietverklaring in geval maar één schuldeiser onbetaald wordt gelaten.
ABN AMRO/Berzona,rov. 3.4.2. Voldoende is dat er een vordering is die ter verificatie in het faillissement kan worden ingediend, zodat de schuldeiser kan meedelen in de opbrengst van de vereffening die in dat kader plaatsvindt (eventueel na toepassing van art. 133 Fw Pro, verificatie door schatting naar Nederlands geld) [19] . Zo kunnen ook vorderingen als steunvorderingen worden aangemerkt waarvan de schuldeisers niet op betaling aandringen [20] of ten aanzien waarvan een betalingsregeling is getroffen [21] . In de literatuur wordt uit de omstandigheid dat het recht van hypotheek de hypotheekhouder niet belemmert om, indien de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, diens faillissement aan te vragen [22] , afgeleid dat het faillissement ook kan worden uitgesproken mede op grond van een volledig door zekerheden gedekte (steun)vordering [23] .
Unitcois uitgemaakt dat het derden in beginsel vrij staat om hangende een procedure tot faillietverklaring steunvorderingen te voldoen en dat dit geen doorbreking oplevert van het beginsel uit art. 3:277 BW Pro (de paritas creditorum), ook niet indien de vordering van de aanvrager van het faillissement onbetaald blijft of daarvoor geen zekerheid wordt gesteld [24] .
kanhet bestaan en onbetaald laten van meer schuldeisers voldoende zijn voor het oordeel dat de schuldenaar verkeert in bedoelde toestand, maar dat is geen wetmatigheid [29] . Dit kan op een toestand van opgehouden zijn met betalen wijzen als vanwege de omstandigheden waaronder de niet-betaling van de schuld plaatsvindt te verwachten is dat de schuldenaar ook tegenover zijn andere schuldeisers zijn verplichtingen tot betalen niet zal nakomen [30] . Maar de schuldenaar kan schulden ook onbetaald laten, omdat hij bezwaren heeft tegen de vorderingen die de rechter niet direct ongegrond acht, of omdat geen betaling door de schuldeisers wordt verlangd [31] . Dat zijn situaties die mogelijk niet wijzen op bedoelde toestand. Het hangt zodoende af van de omstandigheden van het geval.
ex nunc [40] .
onderdeel I.1.1bezien die vertrekt vanaf het spoor dat het hof in rov. 7 het pluraliteitsvereiste heeft getoetst: er was op het moment van de uitspraak formeel nog sprake van steunvorderingen, omdat die vorderingen pas zouden worden voldaan bij vernietiging van het faillissement door het hof, dan lijkt mij hier sprake van een samenval van rechtsfeiten: op het moment van de uitspraak in hoger beroep worden die vorderingen voldaan door doorbetaling vanaf de derdengeldenrekening van de raadsman van [verweerder] . Formeel mag er tot aan het moment van de uitspraak dan nog sprake zijn van steunvorderingen, met die uitspraak “verdwijnen” deze op grond van de gekozen constructie.
ABN AMRO/Berzona [44] , namelijk dat voldoende is dat sprake is van vorderingen die ter verificatie in het faillissement kunnen worden ingediend en betaalafspraken zouden daar dan in beginsel niet aan af kunnen doen; in de woorden van de s.t. van de bank onder 19: de steunvorderingen waren ten tijde van het arrest (…) nog niet voldaan en dit brengt mee dat toen nog steeds aan het pluraliteitsvereiste was voldaan, verschilt deze situatie materieel volgens mij niet wezenlijk van die waarin derden steunvorderingen lopende een faillissementsprocedure voldoen, of waarin derden de betreffende schulden overnemen onder de ontbindende voorwaarde dat het faillissement niet wordt vernietigd. Ons geval is daarmee op een lijn te zetten [45] – maar ik realiseer mij dat dit strikt genomen een oprekking vormt van het geschetste stelsel en de vraag is of dat wel wenselijk is voor de praktijk [46] . Ook heeft de bank een punt (s.t. onder 22) dat de hier bepleite ruime opvatting van het pluraliteitsvereiste slechter spoort met de kritiek op de pluraliteitseis dan de door de bank bepleite striktere opvatting. De zo-even uiteengezette materiële overeenkomst met het door derden voldoen van steunvorderingen hangende een faillissementsprocedure of deze overnemen onder de ontbindende voorwaarde dat het faillissement niet wordt vernietigd, geeft voor mij hier uiteindelijk de doorslag.
onderdeel I.1.2faalt dan ook; er is als het ware sprake van samenval van rechtsmomenten en dat is zo vanzelfsprekend, dat het hof niet gehouden was dat nader te motiveren. De klacht stelt te hoge eisen aan de rechterlijke motivering op dit punt.
onderdeel I.2.1dan feitelijke grondslag, omdat die wordt voorgesteld voor zover het hof in rov. 7 heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan het toestandsvereiste, terwijl het hof hier de pluraliteit naliep.
onderdeel I.2.2gaat dan niet op, omdat ook dit subonderdeel veronderstelt dat het hof daar het toestandsvereiste heeft getoetst.
onderdelen I.1.1 en I.1.2feitelijke grondslag, omdat die klachten er van uit gaan dat het hof in rov. 7 het pluraliteitsvereiste toetst. Dat is in wezen de positie van [verweerder] hierover (s.t. onder 4.2-4.5). Hoe is dan te oordelen over
onderdelen I.2.1. en I.2.2?
I.2.1is dat bij de toestandstoets niet alleen de steunvorderingen hadden moeten worden betrokken, maar ook de vordering(en) van Rabobank en wel te meer nu: