ECLI:NL:HR:2001:ZC3691
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- J.B. Fleers
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling tot betaling in civiel geschil tussen ex-partners
In deze civiele zaak vordert de man betaling van een geldbedrag van de vrouw, zijn ex-partner. De vrouw werd door de rechtbank veroordeeld tot betaling van een deel van het bedrag, waarna het hof het vonnis vernietigde en haar veroordeelde tot een hoger bedrag.
De vrouw stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof, maar de Hoge Raad verwerpt dit beroep zonder nadere motivering, mede op grond van artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad bevestigt daarmee het arrest van het hof, waarin de vrouw werd veroordeeld tot betaling van ƒ 76.404,50 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 10 augustus 1993.
De procedure kende meerdere stappen, waaronder een comparitie en tussenvonnis, en de zaak werd toegelicht door advocaten van beide partijen. De Hoge Raad veroordeelt de vrouw tevens in de kosten van het geding in cassatie.
Deze uitspraak bevestigt de civielrechtelijke verplichting tot betaling en de toepassing van wettelijke rente in een geschil tussen voormalige partners, waarbij het cassatieberoep niet ontvankelijk wordt verklaard wegens het ontbreken van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de vrouw en bevestigt haar veroordeling tot betaling van ƒ 76.404,50 vermeerderd met wettelijke rente.