ECLI:NL:HR:2001:ZC3691

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 oktober 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
C99/333HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H.J. Mijnssen
  • J.B. Fleers
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a ROArt. 57b Rv
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling tot betaling in civiel geschil tussen ex-partners

In deze civiele zaak vordert de man betaling van een geldbedrag van de vrouw, zijn ex-partner. De vrouw werd door de rechtbank veroordeeld tot betaling van een deel van het bedrag, waarna het hof het vonnis vernietigde en haar veroordeelde tot een hoger bedrag.

De vrouw stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof, maar de Hoge Raad verwerpt dit beroep zonder nadere motivering, mede op grond van artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad bevestigt daarmee het arrest van het hof, waarin de vrouw werd veroordeeld tot betaling van ƒ 76.404,50 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 10 augustus 1993.

De procedure kende meerdere stappen, waaronder een comparitie en tussenvonnis, en de zaak werd toegelicht door advocaten van beide partijen. De Hoge Raad veroordeelt de vrouw tevens in de kosten van het geding in cassatie.

Deze uitspraak bevestigt de civielrechtelijke verplichting tot betaling en de toepassing van wettelijke rente in een geschil tussen voormalige partners, waarbij het cassatieberoep niet ontvankelijk wordt verklaard wegens het ontbreken van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de vrouw en bevestigt haar veroordeling tot betaling van ƒ 76.404,50 vermeerderd met wettelijke rente.

Uitspraak

12 oktober 2001
Eerste Kamer
Nr. C99/333HR
NS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[De vrouw], wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli,
t e g e n
[De man], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - heeft bij exploit van 10 augustus 1993 eiseres tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - gedagvaard voor de Rechtbank te Rotterdam en gevorderd:
1. de vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 66.727,66 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag ingaande de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
2. de vrouw te veroordelen tot afgifte aan de man dan wel aan een door de man aan te wijzen derde binnen 48 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis de bij conclusie van eis gespecificeerde zaken, op straffe van een dadelijk aan de man te verbeuren dwangsom.
De vrouw heeft de vordering bestreden en harerzijds in reconventie een vordering ingesteld, die in cassatie niet meer ter zake doet. Na een ingevolge een tussenvonnis van 2 oktober 1995 op 22 augustus 1996 gehouden comparitie van partijen heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 23 juli 1998, in conventie en in reconventie, de vrouw veroordeeld om aan de man te betalen, in maandelijkse termijnen van ƒ 250,--, een bedrag van ƒ 8.477,01, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 augustus 1993 tot aan de dag der voldoening. Het meer of anders gevorderde heeft de Rechtbank afgewezen.
Tegen het eindvonnis heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De man heeft gevorderd het vonnis van 23 juli 1998 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vrouw primair alsnog te veroordelen tot betaling van de somma van ƒ 78.543,07 subsidiair tot een nader door het Hof te bepalen bedrag zoals in goede justitie behoort, verhoogd met de wettelijke rente.
Bij arrest van 25 juni 1999 heeft het Hof, in conventie en in reconventie, het bestreden vonnis vernietigd voor zover aan haar oordeel onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vrouw veroordeeld om aan de man te betalen een bedrag van ƒ 76.404,50, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 10 augustus 1993 tot aan de dag der algehele voldoening. Het meer of anders gevorderde heeft het Hof afgewezen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het beroep, met toepassing van art. 101a RO.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de vrouw in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de man begroot op ƒ 4.945,-- in totaal, waarvan ƒ 4.740,-- op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de Griffier, en ƒ 205,-- aan de man.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 12 oktober 2001.