ECLI:NL:PHR:2001:ZC3691
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verdeling van de opbrengst van een gezamenlijk bewoond huis op grond van samenlevingscontract
Partijen hebben van 1986 tot 1992 samengewoond en in 1989 een huis gekocht dat op naam van de vrouw stond. In hun samenlevingscontract is vastgelegd dat de woning gezamenlijk eigendom is en dat bij verkoop de overwaarde gelijk verdeeld wordt, met een renteloze vergoeding voor de partij die meer heeft bijgedragen.
De man vorderde bij de rechtbank Rotterdam een verdeling van de verkoopopbrengst naar rato van zijn hogere bijdrage. De rechtbank kende hem een lager bedrag toe dan gevorderd, waarna het hof Den Haag het vonnis vernietigde en de vrouw veroordeelde tot betaling van een bedrag gebaseerd op de feitelijke bijdragen.
De vrouw stelde in cassatie onder meer dat het huis uitsluitend haar eigendom was en dat het hof onterecht het saldo verbintenisrechtelijk had verdeeld. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht uitging van een verbintenisrechtelijke verdeling op grond van het samenlevingscontract en niet van goederenrechtelijke mede-eigendom. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.