ECLI:NL:HR:2001:ZC3699

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 oktober 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
R01/036HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.H.M. Jansen
  • J.B. Fleers
  • A.G. Pos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a ABWArt. 84 ABWArt. 57b Rv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt terugvordering bijstandskosten wegens gezinsbijstand en verwijst zaak door

In deze zaak heeft de Gemeente een terugvordering ingesteld van bijstandskosten die over de periode van 1 maart 1994 tot 1 april 1997 aan betrokkene A zijn verleend. De vordering is gericht tegen zowel betrokkene A als verzoeker, die met betrokkene A een duurzame gezamenlijke huishouding voerde.

De Gemeente baseerde haar vordering op hoofdelijke aansprakelijkheid volgens de artikelen 59a en 84 van de Algemene Bijstandswet (ABW). De Kantonrechter heeft de vordering toegewezen, en de Rechtbank te Groningen heeft deze beschikking bekrachtigd. Verzoeker stelde hiertegen beroep in cassatie in.

De Hoge Raad oordeelt dat in gevallen van gezinsbijstand een terugvordering jegens degene die duurzaam een gezamenlijke huishouding voert met de bijstandontvanger is uitgesloten, verwijzend naar eerdere jurisprudentie. De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking van de Rechtbank en verwijst de zaak voor verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te Leeuwarden.

Daarnaast moet nog worden onderzocht of het terugvorderingsbesluit tijdig is bekendgemaakt en of de zaak terecht bij de Kantonrechter is aangebracht. De Gemeente is veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de Rechtbank en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Leeuwarden voor verdere behandeling.

Uitspraak

5 oktober 2001
Eerste Kamer
Rek.nr. R01/036HR
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. F.M. Wachter,
t e g e n
DE GEMEENTE HOOGEZAND-SAPPEMEER, gevestigd te Hoogezand-Sappemeer,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een ter griffie van het Kantongerecht te Zuidbroek ingediend verzoekschrift, gedateerd 14 augustus 1998, heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot de Kantonrechter aldaar en verzocht vast te stellen dat door verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - en [betrokkene A] - verder te noemen: [betrokkene A] - aan de Gemeente een bedrag ad ƒ 85.327,07 zal worden voldaan, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, en te bepalen dat zij die gelden verschuldigd zijn of worden aan [betrokkene A] en [verzoeker] gezamenlijk of aan één hunner, aan de Gemeente zullen voldoen hetgeen is vastgesteld.
[Betrokkene A] en [verzoeker] hebben het verzoek bestreden.
De Kantonrechter heeft bij beschikking van 24 augustus 2000 vastgesteld dat door [betrokkene A] en [verzoeker] aan de Gemeente zal worden voldaan, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, een bedrag ad ƒ 85.327,07.
Tegen deze beschikking heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Groningen.
Bij beschikking van 16 januari 2001 heeft de Rechtbank de bestreden beschikking bekrachtigd.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de Rechtbank te Groningen.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Het gaat in deze zaak om terugvordering door de Gemeente van kosten van bijstand die over de periode van 1 maart 1994 tot 1 april 1997 aan [betrokkene A] is verleend. In cassatie moet, deels veronderstellenderwijs, ervan worden uitgegaan dat [betrokkene A] de bijstand als gezinsbijstand ontving en dat [verzoeker] met haar in de bewuste periode duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde. Bedoelde vordering is zowel tegen [betrokkene A] als tegen [verzoeker] ingesteld. In cassatie is echter nog uitsluitend de vordering tegen [verzoeker] aan de orde.
3.2 De Gemeente heeft, wat [verzoeker] betreft, een beroep gedaan op de hoofdelijke aansprakelijkheid van de art. 59a ABW en 84 Abw. Nadat de Kantonrechter dit beroep had aanvaard, met toewijzing van de vordering tegen [verzoeker], heeft de Rechtbank een door deze laatste daartegen gerichte grief verworpen en de beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd.
3.3 Het middel bestrijdt deze beslissing terecht. Dienaangaande kan de Hoge Raad hier volstaan met een verwijzing naar zijn beschikking van 3 maart 1995, nr. 8564, NJ 1997, 184, waaruit blijkt dat in gevallen van gezinsbijstand een terugvordering als de onderhavige, gericht tegen degene die in de bewuste periode met de ontvanger van de bijstand een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, is uitgesloten.
3.4 De bij het middel opgeworpen vraag of het terugvorderingsbesluit dat aan de onderhavige vordering ten grondslag ligt, al dan niet vóór 1 juli 1997 bekend werd gemaakt, en of in verband daarmee de zaak terecht bij de Kantonrechter is aangebracht (vgl. HR 22 december 2000, nr. R00/033, NJ 2001, 58), zal na verwijzing alsnog moeten worden onderzocht.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de Rechtbank te Groningen van 16 januari 2001;
verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te Leeuwarden;
veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] begroot op ƒ 5.270,-- in totaal, waarvan ƒ 5.065,-- op de voet van art. 57b Rv. te betalen aan de Griffier, en ƒ 205,-- aan [verzoeker].
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, J.B. Fleers en A.G. Pos, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 5 oktober 2001.