ECLI:NL:HR:2001:ZC8115
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J. Zuurmond
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslag omzetbelasting na wetswijziging verhuur onroerende zaken
Belanghebbende, een fiscale eenheid, huurde een kantoorpand van B N.V. en verhuurde een deel daarvan onder aan het ministerie van Defensie. De verhuur was ontheven van de omzetbelastingvrijstelling. Na een wetswijziging per 29 december 1995 werd de vrijstelling beperkt tot verhuur aan gebruikers met recht op aftrek van omzetbelasting.
De naheffingsaanslag over 1996 werd opgelegd omdat de huurprijs die belanghebbende aan haar huurder in rekening bracht niet voldeed aan het wettelijk minimumpercentage van de stichtingskosten, hoewel deze reëel was. Hierdoor verviel de ontheffing van de vrijstelling en kon de door B N.V. in rekening gebrachte omzetbelasting niet meer worden afgetrokken.
Het Hof verklaarde het beroep ongegrond en de Hoge Raad bevestigde dit oordeel. De Hoge Raad oordeelde dat de overgangsregeling van artikel V, lid 9, van de wetswijziging niet van toepassing was op belanghebbende als onderverhuurder. Ook werd geoordeeld dat de regeling niet in strijd is met het Europese recht, waaronder de Zesde richtlijn en het vertrouwensbeginsel.
De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag omzetbelasting over 1996 wordt bevestigd.