ECLI:NL:HR:2001:ZD2834

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juni 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
02126/99
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 101a Wet RO
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep in zaak medeplegen opzettelijk handelen in strijd met Opiumwet

De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die door het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep is veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet. Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de Arrondissementsrechtbank Haarlem en legde een gevangenisstraf van drie jaar op.

De verdachte stelde een middel van cassatie in, ingediend door zijn advocaat, gericht op het vernietigen van het arrest van het hof. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel geen aanleiding gaf tot het beantwoorden van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling en dat het middel derhalve niet tot cassatie kon leiden.

De Hoge Raad vond ook geen ambtshalve gronden om het arrest te vernietigen en wees het cassatieberoep daarom af. Hiermee bleef het arrest van het hof in stand en werd de veroordeling tot drie jaar gevangenisstraf bevestigd. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 19 juni 2001.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en de veroordeling tot drie jaar gevangenisstraf blijft in stand.

Uitspraak

19 juni 2001
Strafkamer
nr. 02126/99
NS/ABG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 oktober 1999, rolnummer
23/002213-99 in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats]
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 3 mei 1999 - de verdachte ter zake van "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf.
1.2. Het verkorte arrest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.M. Kengen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 19 juni 2001.