ECLI:NL:HR:2002:AB2996
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- J.W. van den Berge
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt oordeel Hof over aanslag vermogensbelasting 1995 en procedurele aspecten
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1995 een aanslag in de vermogensbelasting opgelegd, die na bezwaar door de Inspecteur werd gehandhaafd. Tegen deze uitspraak kwam belanghebbende in beroep bij het Hof Amsterdam, dat het standpunt van de Inspecteur bevestigde. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
In cassatie stond centraal of het Hof onrechtmatig een tweede mondelinge behandeling had gehouden zonder juiste kennisgeving en of het Hof artikel 14 van Pro de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken had nageleefd bij het vragen van inlichtingen aan belanghebbende. De kennisgeving van het getuigenverhoor maakte volgens de Hoge Raad duidelijk dat het ging om een zitting waarbij partijen vragen konden stellen, en het was niet aannemelijk dat het Hof door de korte verklaringen van de Inspecteur en zijn bijstand niet onrechtmatig was opgetreden.
Ook het bezwaar dat het Hof niet had gemeld dat het vragen had gesteld aan belanghebbende en dat artikel 14 niet Pro was toegepast, faalde omdat belanghebbende geen belang had bij deze klacht nadat het Hof het verzoek tot het horen van de getuige had ingewilligd. De Hoge Raad oordeelde dat het beroep ongegrond is en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt het oordeel van het Hof Amsterdam.