Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2002:AD3600

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juni 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36316
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
  • A.R. Leemreis
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Verordening toeristenbelasting 1998 gemeente Hengelo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toeristenbelastingheffing over contributie voor overnachtingsmogelijkheid

Belanghebbende, een vereniging, werd voor het jaar 1998 aangeslagen voor toeristenbelasting door de gemeente Hengelo (Gld.) vanwege het houden van verblijf met overnachtingen op een terrein dat zij beheert. Na bezwaar en beroep bij het Hof Arnhem werd de aanslag gehandhaafd. Het Hof oordeelde dat leden van belanghebbende door het betalen van een hogere contributie mede vergoeding verschaffen voor de mogelijkheid tot overnachten op het terrein.

Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte aannam dat er sprake was van een vergoeding voor verblijf met overnachtingen, omdat de contributie niet afhankelijk was van het daadwerkelijke verblijf. De Hoge Raad verwierp dit standpunt en bevestigde dat het betalen van contributie, waarmee de mogelijkheid tot overnachten wordt geboden, voldoende is om het belastbare feit als bedoeld in de Verordening toeristenbelasting aan te nemen.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat het belastbare feit zich heeft voorgedaan voor de overnachtingen van de leden op het terrein. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag toeristenbelasting blijft gehandhaafd.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
D e r d e K a m e r
Nr. 36.316
7 juni 2002
TVW
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het de vereniging X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 16 mei 2000, nr. 99/01462, betreffende na te melden aanslag in de toeristenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 ter zake van het houden van verblijf met overnachten voor 2411 overnachtingen binnen de gemeente Hengelo, Provincie Gelderland (hierna: Hengelo (Gld.)), een aanslag in de toeristenbelasting van de gemeente Hengelo (Gld.) opgelegd van f 2049,35, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het hoofd bureau Financiën van de gemeente Hengelo (Gld.) is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo (Gld.) (hierna: B en W) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
B en W hebben een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal Th. Groeneveld heeft op 11 juli 2001 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en van de uitspraak van het hoofd bureau Financiën, en tot vernietiging van de aanslag.
B en W hebben schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de klacht
3.1. Voor het Hof was in geschil of ten aanzien van de leden van belanghebbende die in 1998 op het door belanghebbende beheerde terrein A, gelegen in de gemeente Hengelo (Gld.), hebben overnacht, sprake is geweest van het houden van verblijf met overnachten tegen vergoeding in welke vorm dan ook in de zin van artikel 2 van Pro de Verordening toeristenbelasting 1998 van de gemeente Hengelo (Gld.) (hierna: de Verordening).
3.2. Het Hof heeft aannemelijk geoordeeld dat de leden van belanghebbende een lagere contributie zouden betalen indien niet de mogelijkheid zou worden geboden op de door belanghebbende beheerde terreinen te verblijven met overnachten. Aan dit oordeel heeft het Hof de gevolgtrekking verbonden dat alle leden door het betalen van contributie op voorhand mede een vergoeding betalen voor de mogelijkheid tot overnachten op een terrein van belanghebbende. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat, nu een aantal leden in 1998 ook daadwerkelijk op het terrein A te Hengelo (Gld.) heeft verbleven met overnachten (in totaal gaat het om 2285 overnachtingen) en voor dit verblijf een vergoeding heeft betaald in de vorm van een hogere contributie, het belastbare feit als bedoeld in artikel 2 van Pro de Verordening zich evenzovele malen heeft voorgedaan.
3.3. Belanghebbende klaagt dat het Hof met voormeld oordeel eraan voorbijgaat dat er onvoldoende verband bestaat tussen de betaling van contributie en het verblijf met overnachten op het terrein A te Hengelo (Gld.).
3.4. Aan de klacht ligt ten grondslag de opvatting dat geen sprake is van het tegen vergoeding houden van verblijf met overnachten in de zin van artikel 2 van Pro de Verordening indien de verschuldigdheid van de vergoeding (of de hoogte daarvan) niet afhankelijk is van (de duur van) het daadwerkelijk houden van verblijf met overnachten. Die opvatting is evenwel onjuist. Uitgaande van zijn in cassatie niet bestreden oordeel dat alle leden van belanghebbende door het betalen van contributie op voorhand mede een vergoeding betalen voor de mogelijkheid tot overnachten op een terrein van belanghebbende, heeft het Hof mitsdien terecht geoordeeld dat met betrekking tot de overnachtingen van haar leden op haar terrein te Hengelo (Gld.) het belastbare feit als bedoeld in artikel 2 van Pro de Verordening zich heeft voorgedaan. De klacht faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2002.