ECLI:NL:HR:2002:AD5773

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 januari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/033HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • H.A.M. Aaftink
  • O. de Savornin Lohman
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in geschil over betaling tussen Emmbett en Belgamar

Emmbett Holding B.V. heeft Belgamar gedagvaard voor betaling van een bedrag van US$ 62.902,21, althans de tegenwaarde daarvan, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 december 1995. Emmbett stelde incidenteel de onbevoegdheid van de rechtbank Rotterdam aan de orde, maar deze verklaarde zich bevoegd. Het Gerechtshof 's-Gravenhage bevestigde deze bevoegdheid en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.

Emmbett stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde Emmbett in de kosten van het geding. Hiermee werd de eerdere beslissing van het hof en de rechtbank bevestigd, waarmee de procedure ten aanzien van de betaling voortgezet kan worden.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam.

Uitspraak

25 januari 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/033HR
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
EMMBETT HOLDING B.V., gevestigd te Rotterdam,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen,
t e g e n
de rechtspersoon naar het recht van het land harer vestiging BELGISCHE ZEEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V. BELGAMAR, gevestigd te Antwerpen, België,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. R.S. Meijer.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: Belgamar - heeft bij exploit van 7 augustus 1996 eiseres tot cassatie - verder te noemen: Emmbett - gedagvaard voor de Rechtbank te Rotterdam en gevorderd Emmbett te veroordelen om aan Belgamar te betalen de somma van US$ 62.902,21 althans de tegenwaarde daarvan in Nederlands wettig courant berekend naar de koers van de dag van betaling met de wettelijke rente daarover vanaf 29 december 1995 tot de dag der algehele voldoening.
Emmbett heeft bij incidentele conclusie de onbevoegdheid van de Rechtbank ingeroepen.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 4 juni 1998 het door Emmbett gedane beroep op de onbevoegdheid van de Rechtbank afgewezen en zich bevoegd verklaard van de zaak kennis te nemen en in de hoofdzaak de zaak naar de rol verwezen.
Tegen dit vonnis heeft Emmbett hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 26 oktober 1999 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd en de zaak naar de Rechtbank te Rotterdam verwezen voor verdere berechting in de hoofdzaak.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft Embett beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belgamar heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Emmbett in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Belgamar begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 25 januari 2002.