ECLI:NL:HR:2002:AD7325

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 januari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/100HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.H.M. Jansen
  • J.B. Fleers
  • A.G. Pos
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROFaillissementswet 29Wet op de rechterlijke organisatie 81
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in civiele procedure over betaling en proceskosten

Eiser vorderde bij de Kantonrechter Rotterdam betaling van een bedrag vermeerderd met buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. De Kantonrechter wees de vordering toe, maar de Rechtbank Rotterdam vernietigde het vonnis voor zover het de buitengerechtelijke kosten betrof en wees die vordering af. Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het eindvonnis van de Rechtbank.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde eiser in de proceskosten van het cassatiegeding.

De uitspraak bevestigt de afwijzing van de vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten en legt de proceskosten van het cassatiegeding bij eiser. Het arrest werd gewezen door de raadsheren Jansen, Fleers, Pos en uitgesproken door Hammerstein op 25 januari 2002.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser in de proceskosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

25 januari 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/100HR
AP
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. A. Vijftigschild,
t e g e n
[Verweerder], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. C.L.W. Wachter.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 20 februari 1997 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Rotterdam en gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eiser] te veroordelen om aan [verweerder] te voldoen een bedrag van ƒ 2.568,--, vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten ad ƒ 385,20 en met de wettelijke rente vanaf 23 januari 1997.
[Eiser] heeft de vordering bestreden.
De Kantonrechter heeft bij vonnis van 17 oktober 1997 de vordering toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Rotterdam.
Bij vonnis van 2 december 1999 heeft de Rechtbank het bestreden vonnis van de Kantonrechter vernietigd voorzover [eiser] daarbij is veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van ƒ 385,20, de vordering tot betaling van deze buitengerechtelijke kosten afgewezen, en dit vonnis voor het overige bekrachtigd.
Het eindvonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het eindvonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [Eiser] heeft een anticipatie-exploit doen uitbrengen en vervolgens geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor [verweerder] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het beroep met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, J.B. Fleers en A.G. Pos, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 25 januari 2002.