ECLI:NL:HR:2002:AD7328

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 januari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/113HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • H.A.M. Aaftink
  • A.G. Pos
  • P.C. Kop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in civiele vordering tot betaling

In deze civiele zaak vorderde verweerder betaling van een aanzienlijk bedrag van eiser en DSH Beleggingsmaatschappij bij de rechtbank. De rechtbank wees de vordering af, waarna verweerder hoger beroep instelde bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde eiser tot betaling van een deel van het gevorderde bedrag, vermeerderd met wettelijke rente.

Eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering achtte de Hoge Raad nadere motivering niet nodig, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad verwierp het beroep van eiser en veroordeelde hem in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee werd het arrest van het hof bekrachtigd en bleef eiser gehouden tot betaling van het door het hof vastgestelde bedrag aan verweerder.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de betalingsveroordeling van eiser.

Uitspraak

18 januari 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/113HR
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. R.M. Hermans,
t e g e n
[Verweerder], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 12 juni 1997 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - en DSH Beleggingsmaatschappij gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd [eiser] en DSH, des dat indien de een betaald heeft de ander zal zijn gekweten, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut te veroordelen tot betaling aan [verweerder] binnen tien dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis van de somma van ƒ 25.376,42,-- netto alsmede het netto-equivalent van ƒ 31.572,-- bruto vermeerderd met de wettelijke rente daarover, ingaande de datum van beslaglegging tot aan de datum van algehele voldoening.
Bij conclusie van repliek heeft [verweerder] zijn eis vermeerderd en betaling gevorderd van ƒ 34.947,12,-- netto en het netto equivalent van ƒ 51.112,57,-- bruto.
[Eiser] en DSH hebben de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 26 februari 1999 [verweerder] zijn vordering ontzegd.
Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 29 december 1999 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende,
het gevorderde tegen DSH afgewezen;
[Eiser] veroordeeld binnen tien dagen na betekening van dit arrest tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerder] te voldoen een bedrag van ƒ 16.341,35 netto alsmede het netto-equivalent van ƒ 46.070,80 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 1997 tot aan de dag der voldoening.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van eiser in de kosten.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 359,48 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 18 januari 2002.